Naar de inhoud

circa 1446 BC

Moses & The Exodus

God raises up Moses to confront Pharaoh; the ten plagues culminate in Israel's dramatic deliverance from four centuries of bondage.

415 verzen · 1 boek behandeld

Verzen uit dit tijdvak

  1. Exodus 2:4ca. 1571 v.Chr.

    En zijn zuster stelde zich van verre, om te weten, wat hem gedaan zou worden.

  2. Exodus 2:5ca. 1571 v.Chr.

    En de dochter van Farao ging af, om zich te wassen in de rivier; en haar jonkvrouwen wandelden aan den kant der rivier; toen zij het kistje in het midden van de biezen zag, zo zond zij haar dienstmaagd heen, en liet het halen.

  3. Exodus 2:6ca. 1571 v.Chr.

    Toen zij het open deed, zo zag zij dat knechtje; en ziet, het jongsken weende; en zij werd met barmhartigheid bewogen over hetzelve, en zij zeide: Dit is een van de knechtjes der Hebreen!

  4. Exodus 2:7ca. 1571 v.Chr.

    Toen zeide zijn zuster tot Farao's dochter: Zal ik heengaan, en u een voedstervrouw uit de Hebreinnen roepen, die dat knechtje voor u zoge?

  5. Exodus 2:8ca. 1571 v.Chr.

    En de dochter van Farao zeide tot haar: Ga heen. En de jonge maagd ging, en riep des knechtjes moeder.

  6. Exodus 2:9ca. 1571 v.Chr.

    Toen zeide Farao's dochter tot haar: Neem dit knechtje heen, en zoog het mij; ik zal u uw loon geven. En de vrouw nam het knechtje en zoogde het.

  7. Exodus 2:10ca. 1571 v.Chr.

    En toen het knechtje groot geworden was, zo bracht zij het tot Farao's dochter, en het werd haar ten zoon; en zij noemde zijn naam Mozes, en zeide: Want ik heb hem uit het water getogen.

  8. Exodus 2:11ca. 1531 v.Chr.

    En het geschiedde in die dagen, toen Mozes groot geworden was, dat hij uitging tot zijn broederen, en bezag hun lasten; en hij zag, dat een Egyptisch man een Hebreeuwsen man uit zijn broederen sloeg.

  9. Exodus 2:12ca. 1531 v.Chr.

    En hij zag herwaarts en gindswaarts; en toen hij zag, dat er niemand was, zo versloeg hij den Egyptenaar, en verborg hem in het zand.

  10. Exodus 2:13ca. 1531 v.Chr.

    Des anderen daags ging hij wederom uit, en ziet, twee Hebreeuwse mannen twistten; en hij zeide tot den ongerechte: Waarom slaat gij uw naaste?

  11. Exodus 2:14ca. 1531 v.Chr.

    Hij dan zeide: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gezet? Zegt gij dit, om mij te doden, gelijk gij den Egyptenaar gedood hebt? Toen vreesde Mozes, en zeide: Voorwaar, deze zaak is bekend geworden!

  12. Exodus 2:15ca. 1531 v.Chr.

    Als nu Farao deze zaak hoorde, zo zocht hij Mozes te doden; doch Mozes vlood voor Farao's aangezicht, en woonde in het land Midian, en hij zat bij een waterput.

  13. Exodus 2:16ca. 1531 v.Chr.

    En de priester in Midian had zeven dochters, die kwamen om te putten, en vulden de drinkbakken, om de kudde haars vaders te drenken.

  14. Exodus 2:17ca. 1531 v.Chr.

    Toen kwamen de herders, en zij dreven haar van daar; doch Mozes stond op, en verloste ze, en drenkte haar kudden.

  15. Exodus 2:18ca. 1531 v.Chr.

    En toen zij tot haar vader Rehuel kwamen, zo sprak hij: Waarom zijt gij heden zo haast wedergekomen?

  16. Exodus 2:19ca. 1531 v.Chr.

    Toen zeiden zij: Een Egyptisch man heeft ons verlost uit de hand der herderen; en hij heeft ook overvloedig voor ons geput, en de kudde gedrenkt.

  17. Exodus 2:20ca. 1531 v.Chr.

    En hij zeide tot zijn dochters: Waar is hij toch, waarom liet gij den man nu gaan? roept hem, dat hij brood ete.

  18. Exodus 2:21ca. 1531 v.Chr.

    En Mozes bewilligde bij den man te wonen; en hij gaf Mozes zijn dochter Zippora;

  19. Exodus 2:22ca. 1531 v.Chr.

    Die baarde een zoon; en hij noemde zijn naam Gersom; want hij zeide: Ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land.

  20. Exodus 2:23ca. 1500 v.Chr.

    En het geschiedde na vele dezer dagen, als de koning van Egypte gestorven was, dat de kinderen Israels zuchtten en schreeuwden over den dienst; en hun gekrijt over hun dienst kwam op tot God.

  21. Exodus 2:24ca. 1500 v.Chr.

    En God hoorde hun gekerm, en God gedacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izak, en met Jakob.

  22. Exodus 2:25ca. 1500 v.Chr.

    En God zag de kinderen Israels aan, en God kende hen.

  23. Exodus 3:1ca. 1491 v.Chr.

    En Mozes hoedde de kudde van Jethro, zijn schoonvader, de priester in Midian; en hij leidde de kudde achter de woestijn, en hij kwam aan den berg Gods, aan Horeb.

  24. Exodus 3:2ca. 1491 v.Chr.

    En de Engel des HEEREN verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een braambos; en hij zag, en ziet, het braambos brandde in het vuur, en het braambos werd niet verteerd.

  25. Exodus 3:3ca. 1491 v.Chr.

    En Mozes zeide: Ik zal mij nu daarheen wenden, en bezien dat grote gezicht, waarom het braambos niet verbrandt.