Naar de inhoud

Bijbelverzen over Water

197 verzen · 84 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. En het geschiedde, als een het timmerhout velde, dat het ijzer in het water viel; en hij riep, en zeide: Ach, mijn heer, want het was geleend.

  2. En de man Gods zeide: Waar is het gevallen? En toen hij hem de plaats gewezen had, sneed hij een hout af, en wierp het daarhenen, en deed het ijzer boven zwemmen.

  3. Het overige nu der geschiedenissen van Hizkia, en al zijn macht, en hoe hij den vijver en den watergang gemaakt heeft, en water in de stad gebracht heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?

  4. Zo hield hij raad met zijn vorsten en zijn helden, om de fonteinwateren te stoppen, die buiten de stad waren; en zij hielpen hem.

  5. En ik ging voort naar de Fonteinpoort, en naar des konings vijver; doch daar was geen plaats voor het dier, om onder mij voort te gaan.

  6. Verheft zich de bieze zonder slijk? Groeit het rietgras zonder water?

  7. Hij zal van den reuk der wateren weder uitspruiten, en zal een tak maken, gelijk een plant.

  8. De wateren vermalen de stenen, het stof der aarde overstelpt het gewas, dat van zelf daaruit voortkomt; alzo verderft Gij de verwachting des mensen.

  9. Den moede hebt gij geen water te drinken gegeven, en van den hongerige hebt gij het brood onthouden.

  10. Hij is licht op het vlakke der wateren; vervloekt is hun deel op de aarde; hij wendt zich niet tot den weg der wijngaarden.

  11. Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet.

  12. Hij houdt het vlakke Zijns troons vast; Hij spreidt Zijn wolk daarover.

  13. Uit wiens buik komt het ijs voort, en wie baart den rijm des hemels?

  14. Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw.

  15. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren.

  16. O God! verbreek hun tanden in hun mond; breek af de baktanden der jonge leeuwen, o HEERE!

  17. Gij hadt den mens op ons hoofd doen rijden; wij waren in het vuur en in het water gekomen; maar Gij hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verversing.

  18. Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Schoschannim.

  19. Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots, en deed de wateren afdalen als rivieren.

  20. Uw hittige toornigheden gaan over mij; Uw verschrikkingen doen mij vergaan.

  21. De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.

  22. En hij zij bekleed met den vloek, als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water, en als de olie in zijn beenderen.

  23. Toen zouden ons de wateren overlopen hebben; een stroom zou over onze ziel gegaan zijn.

  24. Toen zouden de stoute wateren over onze ziel gegaan zijn.

  25. Hij geeft sneeuw als wol; Hij strooit den rijm als as.