Naar de inhoud

Bijbelverzen over The Providence of God

163 verzen · 41 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Door zijn geblaas geeft God de vorst, zodat de brede wateren verstijfd worden.

  2. Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid; Hij verstrooit de wolk Zijns lichts.

  3. Die keert zich dan naar Zijn wijzen raad door ommegangen, dat zij doen al wat Hij ze gebiedt, op het vlakke der wereld, op de aarde.

  4. Hetzij dat Hij die tot een roede, of tot Zijn land, of tot weldadigheid beschikt.

  5. Ik stel den HEERE geduriglijk voor mij, omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen.

  6. Maar ik vertrouw op U, o HEERE! Ik zeg: Gij zijt mijn God.

  7. De HEERE vernietigt den raad der heidenen; Hij breekt de gedachten der volken.

  8. O HEERE! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe.

  9. Want de HEERE heeft het recht lief, en zal Zijn gunstgenoten niet verlaten; in eeuwigheid worden zij bewaard; maar het zaad der goddelozen wordt uitgeroeid.

  10. HEERE! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij.

  11. Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen;

  12. Verhoogt uw hoorn niet omhoog; spreekt niet met stijven hals.

  13. Want het verhogen komt niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn;

  14. Het geluid Uws donders was in het ronde; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde.

  15. Want Hij zal u redden van den strik des vogelvangers, van de zeer verderfelijke pestilentie.

  16. Hij zal u dekken met Zijn vlerken, en onder Zijn vleugelen zult gij betrouwen; Zijn waarheid is een rondas en beukelaar.

  17. Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen.

  18. Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.

  19. Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.

  20. Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders.

  21. De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.

  22. Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.

  23. Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.

  24. Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.

  25. Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.