- English
- King James KJV
- Complete Jewish CJB
- World English WEBM
- Berean Standard BSB
- American Standard ASV
- Geneva GNV
- Young's Literal YLT
- Douay-Rheims DRC
- International
- Shqip ALB
- العربية SVD
- বাংলা BN-IRV
- မြန်မာ Judson
- 简体文 CUV-S
- 繁體中文 CUV-T
- Čeština BKR
- Nederlands STVE
- Français LSG
- Deutsch SCH
- Ελληνικά Vamvas
- ગુજરાતી GU-IRV
- Hausa HCB
- עברית Hebrew
- हिन्दी HCV
- Magyar KAROLI
- Bahasa Indonesia INDO-TB
- Italiano Diodati
- 日本語 Kougo
- 한국어 Korean
- മലയാളം MAL
- मराठी MRCV
- Norsk DNB
- فارسی OPV
- Polski BG
- Português Almeida
- Română Cornilescu
- Русский Synodal
- Español RVG
- Kiswahili Neno
- Svenska SV1917
- Tagalog TAG-ADB
- தமிழ் TCV
- తెలుగు TSA
- ภาษาไทย THAI-KJV
- Українська Ohienko
- Tiếng Việt CADMAN
- Yorùbá YCB
Bijbelverzen over Temptation
Belangrijke bijbelverzen
Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede;
Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis des onbekenden;
En gij in uw laatste brult, als uw vlees, en uw lijf verteerd is;
En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad!
En heb niet gehoord naar de stem mijner onderwijzers, noch mijn oren geneigd tot mijn leraars!
Ik ben bijna in alle kwaad geweest, in het midden der gemeente en der vergadering!
Drink water uit uw bak, en vloeden uit het midden van uw bornput;
Laat uw fonteinen zich buiten verspreiden, en de waterbeken op de straten;
Laat ze de uwe alleen zijn, en van geen vreemde met u.
Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd;
Een zeer liefelijke hinde, en een aangenaam steengeitje; laat u haar borsten te allen tijd dronken maken; dool steeds in haar liefde.
En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen?
Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.
Zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn klederen niet verbrand worden?
Zal iemand op kolen gaan, dat zijn voeten niet branden?
Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit;
En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jonge gezellen een verstandelozen jongeling;
Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.
In de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de donkerheid;
En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede;
Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;
Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;
En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zeide tot hem:
Dankoffers zijn bij mij, ik heb heden mijn geloften betaald;
Daarom ben ik uitgegaan u tegemoet, om uw aangezicht naarstiglijk te zoeken, en ik heb u gevonden.