Naar de inhoud

Bijbelverzen over Psalms

896 verzen · 16 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts.

  2. De HEERE zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren.

  3. De HEERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid.

  4. Een lied Hammaaloth, van David. Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des HEEREN gaan.

  5. Onze voeten zijn staande in uw poorten, o Jeruzalem!

  6. Jeruzalem is gebouwd, als een stad, die wel samengevoegd is;

  7. Waarheen de stammen opgaan, de stammen des HEEREN, tot de getuigenis Israels, om den Naam des HEEREN te danken.

  8. Want daar zijn de stoelen des gerichts gezet, de stoelen van het huis van David.

  9. Bidt om den vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die u beminnen.

  10. Vrede zij in uw vesting, welvaren in uw paleizen.

  11. Om mijner broederen en mijner vrienden wil, zal ik nu spreken, vrede zij in u!

  12. Om des huizes des HEEREN, onzes Gods wil, zal ik het goede voor u zoeken.

  13. Een lied op Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit.

  14. Zie, gelijk de ogen der knechten zijn op de hand hunner heren; gelijk de ogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw; alzo zijn onze ogen op den HEERE, onze God, totdat Hij ons genadig zij.

  15. Zijt ons genadig, o HEERE! zijt ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat.

  16. Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hovaardigen.

  17. Een lied Hammaaloth. Die op den HEERE vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid.

  18. Rondom Jeruzalem zijn bergen; alzo is de HEERE rondom Zijn volk, van nu aan tot in der eeuwigheid.

  19. Want de scepter der goddeloosheid zal niet rusten op het lot der rechtvaardigen; opdat de rechtvaardigen hun handen niet uitstrekken tot onrecht.

  20. HEERE! doe den goeden wel, en dengenen, die oprecht zijn in hun harten.

  21. Maar die zich neigen tot hun kromme wegen, die zal de HEERE weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid. Vrede zal over Israel zijn!

  22. Een lied Hammaaloth, van Salomo. Zo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter.

  23. Het is tevergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft.

  24. Ziet, de kinderen zijn een erfdeel des HEEREN; des buiks vrucht is een beloning.

  25. Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, zodanig zijn de zonen der jeugd.