Naar de inhoud

Bijbelverzen over Psalms: Penitential Psalms

41 verzen · 16 aspecten

Verzen over Penitential Psalms

  1. Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth, op de Scheminith.

  2. O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid!

  3. Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt; genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt.

  4. Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en Gij, HEERE, hoe lange?

  5. Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil.

  6. Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?

  7. Ik ben moede van mijn zuchten; ik doe mijn bed den gansen nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijn tranen.

  8. Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenpartijders.

  9. Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid; want de HEERE heeft de stem mijns geweens gehoord.

  10. De HEERE heeft mijn smeking gehoord; de HEERE zal mijn gebed aannemen. [ (Psalms 6:11) Al mijn vijanden zullen zeer beschaamd en verbaasd worden; zij zullen terugkeren, zij zullen in een ogenblik beschaamd worden. ]

  11. Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.

  12. Welgelukzalig is de mens, dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.

  13. Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag.

  14. Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela.

  15. Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela.

  16. Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd; ja, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken.

  17. Gij zijt mij een Verberging; Gij behoedt mij voor benauwdheid; Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. Sela.

  18. Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg, dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn.

  19. Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake.

  20. De goddeloze heeft veel smarten, maar die op den HEERE vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen.

  21. Verblijdt u in den HEERE, en verheugt u, gij rechtvaardigen! en zingt vrolijk, alle gij oprechten van harte!

  22. Een lied Hammaaloth. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE!

  23. HEERE! hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen.

  24. Zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan?

  25. Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.