Naar de inhoud

Bijbelverzen over Psalms: Psalms of Praise

178 verzen · 16 aspecten

Verzen over Psalms of Praise

  1. Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Gitthith.

  2. O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! Gij, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.

  3. Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, om Uwer tegenpartijen wil, om den vijand en wraakgierige te doen ophouden.

  4. Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt;

  5. Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?

  6. En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?

  7. Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;

  8. Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.

  9. Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeen doorwandelt. [ (Psalms 8:10) O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! ]

  10. Een psalm van David, voor den opperzangmeester.

  11. De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.

  12. De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap.

  13. Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord.

  14. Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld; Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon.

  15. En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen.

  16. Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan de einden deszelven; en niets is verborgen voor haar hitte.

  17. De wet des HEEREN is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis des HEEREN is gewis, den slechten wijsheid gevende.

  18. De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen.

  19. De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten des HEEREN zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig.

  20. Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem.

  21. Ook wordt Uw knecht door dezelve klaarlijk vermaand; in het houden van die is grote loon.

  22. Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgene afdwalingen.

  23. Houd Uw knecht ook terug van trotsheden; laat ze niet over mij heersen; dan zal ik oprecht zijn en rein van grote overtreding. [ (Psalms 19:15) Laat de redenen mijns monds, en de overdenking mijns harten welbehagelijk zijn voor Uw aangezicht, o HEERE, mijn Rotssteen en mijn Verlosser! ]

  24. Een psalm van David. De aarde is des HEEREN, mitsgaders haar volheid, de wereld, en die daarin wonen.

  25. Want Hij heeft ze gegrond op de zeeen, en heeft ze gevestigd op de rivieren.