Skip to content

Bijbelverzen over Prayer

720 verzen · 120 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Diezelve dag zij duisternis; dat God naar hem niet vrage van boven; en dat geen glans over hem schijne;

  2. Dat de duisternis en des doods schaduw hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de zwarte dampen des dags!

  3. Diezelve nacht, donkerheid neme hem in; dat hij zich niet verheuge onder de dagen des jaars; dat hij in het getal der maanden niet kome!

  4. Ziet, diezelve nacht zij eenzaam; dat geen vrolijk gezang daarin kome;

  5. Dat hem vervloeken de vervloekers des dags, die bereid zijn hun rouw te verwekken;

  6. Dat de sterren van zijn schemertijd verduisterd worden; hij wachte naar het licht, en het worde niet; en hij zie niet de oogleden des dageraads!

  7. Omdat hij niet toegesloten heeft de deuren mijns buiks, noch verborgen de moeite van mijn ogen.

  8. Heb ik gezondigd, wat zal ik U doen, o Mensenhoeder? Waarom hebt Gij mij U tot een tegenloop gesteld, dat ik mijzelven tot een last zij?

  9. Maar indien gij naar God vroeg zoekt, en tot den Almachtige om genade bidt;

  10. Zo gij zuiver en recht zijt, gewisselijk zal Hij nu opwaken, om uwentwil, en Hij zal de woning uwer gerechtigheid volmaken.

  11. Indien gij uw hart bereid hebt, zo breid uw handen tot Hem uit.

  12. Ik ben het, die zijn vriend een spot is, maar roepende tot God, Die hem verhoort; de rechtvaardige en oprechte is een spot.

  13. Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen? En wat baat zullen wij hebben, dat wij Hem aanlopen zouden?

  14. Gij zult tot Hem ernstiglijk bidden, en Hij zal u verhoren; en gij zult uw geloften betalen.

  15. Mijn vijand zij als de goddeloze, en die zich tegen mij opmaakt, als de verkeerde.

  16. Hij zal tot God ernstiglijk bidden, Die in hem een welbehagen nemen zal, en zijn aangezicht met gejuich aanzien; want Hij zal den mens zijn gerechtigheid wedergeven.

  17. Opdat Hij op hem het geroep des armen brenge, en het geroep der ellendigen verhore.

  18. Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen?

  19. Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid!

  20. Doch Gij, HEERE! zijt een Schild voor mij, mijn eer, en Die mijn hoofd opheft.

  21. Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.

  22. Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Nechiloth.

  23. O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking.

  24. Merk op de stem mijns geroeps, o mijn Koning en mijn God! Want tot U zal ik bidden.

  25. Want in hun mond is niets rechts, hun binnenste is enkel verderving, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij.