Naar de inhoud

Bijbelverzen over Doubting

105 verzen · 2 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts.

  2. Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen.

  3. Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens.

  4. Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.

  5. Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen;

  6. Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte.

  7. Ik dacht aan mijn snarenspel; in den nacht overlegde ik in mijn hart, en mijn geest onderzocht:

  8. Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoten, en voortaan niet meer goedgunstig zijn?

  9. Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? Heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht?

  10. Waarom zegt gij dan, o Jakob! en spreekt, o Israel! mijn weg is voor den HEERE verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij?

  11. Weet gij het niet? Hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt? Er is geen doorgronding van Zijn verstand.

  12. Doch Sion zegt: De HEERE heeft mij verlaten, en de HEERE heeft mij vergeten.

  13. Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten.

  14. Zie, de wallen! zij zijn gekomen aan de stad, om die in te nemen, en de stad is gegeven in de hand der Chaldeen, die tegen haar strijden; vanwege het zwaard en den honger en de pestilentie; en wat Gij gesproken hebt, is geschied, en zie, Gij ziet het.

  15. Evenwel hebt Gij tot mij gezegd, Heere HEERE! koop u dat veld voor geld, en doe het getuigen betuigen; daar de stad in der Chaldeen hand gegeven is.

  16. En als Hij in het schip gegaan was, zijn Hem Zijn discipelen gevolgd.

  17. En ziet, er ontstond een grote onstuimigheid in de zee, alzo dat het schip van de golven bedekt werd; doch Hij sliep.

  18. En Zijn discipelen, bij Hem komende, hebben Hem opgewekt, zeggende: Heere, behoed ons, wij vergaan!

  19. En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingelovigen? Toen stond Hij op, en bestrafte de winden en de zee; en er werd grote stilte.

  20. En de mensen verwonderden zich, zeggende: Hoedanig een is Deze, dat ook de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn!

  21. En Johannes, in de gevangenis gehoord hebbende de werken van Christus, zond twee van zijn discipelen;

  22. En zeide tot hem: Zijt Gij Degene, Die komen zou, of verwachten wij een anderen?

  23. En Hij zeide: Kom. En Petrus klom neder van het schip, en wandelde op het water, om tot Jezus te komen.

  24. Maar ziende den sterken wind, werd hij bevreesd, en als hij begon neder te zinken, riep hij, zeggende: Heere, behoud mij!

  25. En Jezus, terstond de hand uitstekende, greep hem aan, en zeide tot hem: Gij kleingelovige! waarom hebt gij gewankeld?