Skip to content

Bijbelverzen over Doubting: General references

31 verzen · 2 aspecten

Verzen over General references

Filter op boek
  1. Zie, gij hebt velen onderwezen, en gij hebt slappe handen gesterkt;

  2. Uw woorden hebben den struikelende opgericht, en de krommende knieen hebt gij vastgesteld;

  3. Maar nu komt het aan u, en gij zijt verdrietig; het raakt tot u, en gij wordt beroerd.

  4. Was niet uw vreze Gods uw hoop, en de oprechtheid uwer wegen uw verwachting?

  5. Indien ik roep, en Hij mij antwoordt; ik zal niet geloven, dat Hij mijn stem ter ore genomen heeft.

  6. Want Hij vermorzelt mij door een onweder, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak.

  7. Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden.

  8. Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden?

  9. Zo ik mij rechtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren.

  10. Ben ik oprecht, zo acht ik toch mijn ziel niet; ik versmaad mijn leven.

  11. Dat is een ding, daarom zeg ik: Den oprechte en den goddeloze verdoet Hij.

  12. Als de gesel haastelijk doodt, bespot Hij de verzoeking der onschuldigen.

  13. Hierom word ik voor Zijn aangezicht beroerd; aanmerk het, en vrees voor Hem;

  14. Want God heeft mijn hart week gemaakt, en de Almachtige heeft mij beroerd;

  15. Omdat ik niet uitgedelgd ben voor de duisternis, en dat Hij van mijn aangezicht de donkerheid bedekt heeft.

  16. Ik schrei tot U, maar Gij antwoordt mij niet; ik sta, maar Gij acht niet op mij.

  17. Gij zijt veranderd in een wrede tegen mij; door de sterkte Uwer hand wederstaat Gij mij hatelijk.

  18. Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte.

  19. Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts.

  20. Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen.

  21. Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens.

  22. Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.

  23. Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen;

  24. Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte.

  25. Ik dacht aan mijn snarenspel; in den nacht overlegde ik in mijn hart, en mijn geest onderzocht: