Naar de inhoud

circa 6 BC – AD 30

The Life of Jesus

The eternal Son of God enters history: born in Bethlehem, baptized in the Jordan, crucified at Golgotha, raised on the third day.

3,779 verzen · 4 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Markus 11:5ca. 33 n.Chr.

    En sommigen van degenen, die aldaar stonden, zeiden tot hen: Wat doet gij, dat gij het veulen ontbindt?

  2. Markus 11:6ca. 33 n.Chr.

    Doch zij zeiden tot hen, gelijk Jezus bevolen had; en zij lieten hen gaan.

  3. Markus 11:7ca. 33 n.Chr.

    En zij brachten het veulen tot Jezus, en wierpen hun klederen daarop; en Hij zat op hetzelve.

  4. Markus 11:8ca. 33 n.Chr.

    En velen spreidden hun klederen op den weg, en anderen hieuwen meien van de bomen, en spreidden ze op den weg.

  5. Markus 11:9ca. 33 n.Chr.

    En die voorgingen en die volgden riepen, zeggende: Hosanna, gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!

  6. Markus 11:10ca. 33 n.Chr.

    Gezegend zij het Koninkrijk van onzen vader David, hetwelk komt in den Naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen!

  7. Markus 11:11ca. 33 n.Chr.

    En Jezus kwam binnen Jeruzalem, en in den tempel; en als Hij alles rondom bezien had, en het nu avondstond was, ging Hij uit naar Bethanie met de twaalven.

  8. Markus 11:12ca. 33 n.Chr.

    En des anderen daags, als zij uit Bethanie gingen, hongerde Hem.

  9. Markus 11:13ca. 33 n.Chr.

    En ziende van verre een vijgeboom, die bladeren had, ging Hij om te zien, of Hij ook iets op denzelven zou vinden; en daarbij gekomen zijnde, vond Hij niets dan bladeren; want het was de tijd der vijgen niet.

  10. Markus 11:14ca. 33 n.Chr.

    En Jezus, antwoordende, zeide tot denzelven: Niemand ete enige vrucht meer van u in der eeuwigheid! En Zijn discipelen hoorden het.

  11. Markus 11:15ca. 33 n.Chr.

    En zij kwamen te Jeruzalem; en Jezus, in den tempel gegaan zijnde, begon degenen, die in den tempel verkochten en kochten, uit te drijven; en de tafelen der wisselaars, en de zitstoelen dergenen, die de duiven verkochten, keerde Hij om;

  12. Markus 11:16ca. 33 n.Chr.

    En liet niet toe, dat iemand enig vat door den tempel droeg.

  13. Markus 11:17ca. 33 n.Chr.

    En Hij leerde, zeggende tot hen: Is er niet geschreven: Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden allen volken? Maar gij hebt dat tot een kuil der moordenaren gemaakt.

  14. Markus 11:18ca. 33 n.Chr.

    En de Schriftgeleerden en de overpriesters hoorden dat, en zochten, hoe zij Hem doden zouden; want zij vreesden Hem, omdat de ganse schare ontzet was over Zijn leer.

  15. Markus 11:19ca. 33 n.Chr.

    En als het nu laat geworden was, ging Hij uit buiten de stad.

  16. Markus 11:20ca. 33 n.Chr.

    En des morgens vroeg voorbijgaande, zagen zij, dat de vijgeboom verdord was, van de wortelen af.

  17. Markus 11:21ca. 33 n.Chr.

    En Petrus, zulks indachtig geworden zijnde, zeide tot Hem: Rabbi, zie, de vijgeboom, dien Gij vervloekt hebt, is verdord.

  18. Markus 11:22ca. 33 n.Chr.

    En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Hebt geloof op God.

  19. Markus 11:23ca. 33 n.Chr.

    Want voorwaar zeg Ik u, dat, zo wie tot dezen berg zal zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen; en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal geloven hetgeen hij zegt, geschieden zal, het zal hem geworden, zo wat hij zegt.

  20. Markus 11:24ca. 33 n.Chr.

    Daarom zeg Ik u: Alle dingen, die gij biddende begeert, gelooft, dat gij ze ontvangen zult, en zij zullen u geworden.

  21. Markus 11:25ca. 33 n.Chr.

    En wanneer gij staat om te bidden, vergeeft, indien gij iets hebt tegen iemand; opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, ulieden uw misdaden vergeve.

  22. Markus 11:26ca. 33 n.Chr.

    Maar indien gij niet vergeeft, zo zal uw Vader, Die in de hemelen is, ook uw misdaden niet vergeven.

  23. Markus 11:27ca. 33 n.Chr.

    En zij kwamen wederom te Jeruzalem. En als Hij in den tempel wandelde, kwamen tot Hem de overpriesters, en de schriftgeleerden, en de ouderlingen.

  24. Markus 11:28ca. 33 n.Chr.

    En zeiden tot Hem: Door wat macht doet Gij deze dingen? En wie heeft U deze macht gegeven, dat Gij deze dingen doen zoudt?

  25. Markus 11:29ca. 33 n.Chr.

    Maar Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen; antwoordt Mij ook, en zo zal Ik u zeggen, door wat macht Ik deze dingen doe: