Naar de inhoud

circa 6 BC – AD 30

The Life of Jesus

The eternal Son of God enters history: born in Bethlehem, baptized in the Jordan, crucified at Golgotha, raised on the third day.

3,779 verzen · 4 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Johannes 18:10ca. 33 n.Chr.

    Simon Petrus dan, hebbende een zwaard, trok hetzelve uit, en sloeg des hogepriesters dienstknecht, en hieuw zijn rechteroor af. En de naam van den dienstknecht was Malchus.

  2. Johannes 18:11ca. 33 n.Chr.

    Jezus dan zeide tot Petrus: Steek uw zwaard in de schede. Den drinkbeker, dien Mij de Vader gegeven heeft, zal Ik dien niet drinken?

  3. Johannes 18:12ca. 33 n.Chr.

    De bende dan, en de overste over duizend, en de dienaars der Joden namen Jezus gezamenlijk, en bonden Hem;

  4. Johannes 18:13ca. 33 n.Chr.

    En leidden Hem henen, eerst tot Annas; want hij was de vrouws vader van Kajafas, welke deszelven jaars hogepriester was.

  5. Johannes 18:14ca. 33 n.Chr.

    Kajafas nu was degene, die den Joden geraden had, dat het nut was, dat een Mens voor het volk stierve.

  6. Johannes 18:15ca. 33 n.Chr.

    En Simon Petrus volgde Jezus, en een ander discipel. Deze discipel nu was den hogepriester bekend, en ging met Jezus in des hogepriesters zaal.

  7. Johannes 18:16ca. 33 n.Chr.

    En Petrus stond buiten aan de deur. De andere discipel dan, die den hogepriester bekend was, ging uit, en sprak met de deurwaarster, en bracht Petrus in.

  8. Johannes 18:17ca. 33 n.Chr.

    De dienstmaagd dan, die de deurwaarster was, zeide tot Petrus: Zijt ook gij niet uit de discipelen van dezen Mens? Hij zeide: Ik ben niet.

  9. Johannes 18:18ca. 33 n.Chr.

    En de dienstknechten en de dienaars stonden, hebbende een kolenvuur gemaakt, omdat het koud was, en warmden zich. Petrus stond bij hen, en warmde zich.

  10. Johannes 18:19ca. 33 n.Chr.

    De hogepriester dan vraagde Jezus van Zijn discipelen, en van Zijn leer.

  11. Johannes 18:20ca. 33 n.Chr.

    Jezus antwoordde hem: Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld; Ik heb allen tijd geleerd in de synagoge en in den tempel, waar de Joden van alle plaatsen samenkomen; en in het verborgen heb Ik niets gesproken.

  12. Johannes 18:21ca. 33 n.Chr.

    Wat ondervraagt gij Mij? Ondervraag degenen, die het gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb; zie, dezen weten, wat Ik gezegd heb.

  13. Johannes 18:22ca. 33 n.Chr.

    En als Hij dit zeide, gaf een van de dienaren, die daarbij stond, Jezus een kinnebakslag, zeggende: Antwoordt Gij alzo den hogepriester?

  14. Johannes 18:23ca. 33 n.Chr.

    Jezus antwoordde hem: Indien Ik kwalijk gesproken heb, betuig van het kwade; en indien wel, waarom slaat gij Mij?

  15. Johannes 18:24ca. 33 n.Chr.

    (Annas dan had Hem gebonden gezonden tot Kajafas, den hogepriester.)

  16. Johannes 18:25ca. 33 n.Chr.

    En Simon Petrus stond en warmde zich. Zij zeiden dan tot hem: Zijt gij ook niet uit Zijn discipelen? Hij loochende het, en zeide: Ik ben niet.

  17. Johannes 18:26ca. 33 n.Chr.

    Een van de dienstknechten des hogepriesters, die maagschap was van dengene, dien Petrus het oor afgehouwen had, zeide: Heb ik u niet gezien in den hof met Hem?

  18. Johannes 18:27ca. 33 n.Chr.

    Petrus dan loochende het wederom. En terstond kraaide de haan.

  19. Johannes 18:28ca. 33 n.Chr.

    Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het rechthuis. En het was 's morgens vroeg; en zij gingen niet in het rechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het pascha eten mochten.

  20. Johannes 18:29ca. 33 n.Chr.

    Pilatus dan ging tot hen uit, en zeide: Wat beschuldiging brengt gij tegen dezen Mens?

  21. Johannes 18:30ca. 33 n.Chr.

    Zij antwoordden en zeiden tot hem: Indien Deze geen kwaaddoener ware, zo zouden wij Hem u niet overgeleverd hebben.

  22. Johannes 18:31ca. 33 n.Chr.

    Pilatus dan zeide tot hen: Neemt gij Hem, en oordeelt Hem naar uw wet. De Joden dan zeiden tot hem: Het is ons niet geoorloofd iemand te doden.

  23. Johannes 18:32ca. 33 n.Chr.

    Opdat het woord van Jezus vervuld wierd, dat Hij gezegd had, betekenende, hoedanigen dood Hij sterven zoude.

  24. Johannes 18:33ca. 33 n.Chr.

    Pilatus dan ging wederom in het rechthuis, en riep Jezus, en zeide tot Hem: Zijt Gij de Koning der Joden?

  25. Johannes 18:34ca. 33 n.Chr.

    Jezus antwoordde hem: Zegt gij dit van uzelven, of hebben het u anderen van Mij gezegd?