Naar de inhoud

circa AD 48–96

Letters to the Churches

Paul and other apostles write to strengthen, correct, and encourage the scattered churches across the Roman world.

2,767 verzen · 21 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Jakobus 2:13ca. 60 n.Chr.

    Want een onbarmhartig oordeel zal gaan over dengene, die geen barmhartigheid gedaan heeft; en de barmhartigheid roemt tegen het oordeel.

  2. Jakobus 2:14ca. 60 n.Chr.

    Wat nuttigheid is het, mijn broeders, indien iemand zegt, dat hij het geloof heeft, en hij heeft de werken niet? Kan dat geloof hem zaligmaken?

  3. Jakobus 2:15ca. 60 n.Chr.

    Indien er nu een broeder of zuster naakt zouden zijn, en gebrek zouden hebben aan dagelijks voedsel;

  4. Jakobus 2:16ca. 60 n.Chr.

    En iemand van u tot hen zou zeggen: Gaat henen in vrede, wordt warm, en wordt verzadigd; en gijlieden zoudt hun niet geven de nooddruftigheden des lichaams, wat nuttigheid is dat?

  5. Jakobus 2:17ca. 60 n.Chr.

    Alzo ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelven dood.

  6. Jakobus 2:18ca. 60 n.Chr.

    Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt het geloof, en ik heb de werken. Toon mij uw geloof uit uw werken, en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen.

  7. Jakobus 2:19ca. 60 n.Chr.

    Gij gelooft, dat God een enig God is; gij doet wel; de duivelen geloven het ook, en zij sidderen.

  8. Jakobus 2:20ca. 60 n.Chr.

    Maar wilt gij weten, o ijdel mens, dat het geloof zonder de werken dood is?

  9. Jakobus 2:21ca. 60 n.Chr.

    Abraham, onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij Izak, zijn zoon, geofferd heeft op het altaar?

  10. Jakobus 2:22ca. 60 n.Chr.

    Ziet gij wel, dat het geloof mede gewrocht heeft met zijn werken, en het geloof volmaakt is geweest uit de werken?

  11. Jakobus 2:23ca. 60 n.Chr.

    En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend van God genaamd geweest.

  12. Jakobus 2:24ca. 60 n.Chr.

    Ziet gij dan nu, dat een mens uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleenlijk uit het geloof?

  13. Jakobus 2:25ca. 60 n.Chr.

    En desgelijks ook Rachab, de hoer, is zij niet uit de werken gerechtvaardigd geweest, als zij de gezondenen heeft ontvangen, en door een anderen weg uitgelaten?

  14. Jakobus 2:26ca. 60 n.Chr.

    Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzo is ook het geloof zonder de werken dood.

  15. Jakobus 3:1ca. 60 n.Chr.

    Zijt niet vele meesters, mijn broeders, wetende, dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen.

  16. Jakobus 3:2ca. 60 n.Chr.

    Want wij struikelen allen in vele. Indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, machtig om ook het gehele lichaam in den toom te houden.

  17. Jakobus 3:3ca. 60 n.Chr.

    Ziet, wij leggen den paarden tomen in de monden, opdat zij ons zouden gehoorzamen, en wij leiden daarmede hun gehele lichaam om;

  18. Jakobus 3:4ca. 60 n.Chr.

    Ziet ook de schepen, hoewel zij zo groot zijn, en van harde winden gedreven, zij worden omgewend van een zeer klein roer, waarhenen ook de begeerte des stuurders wil.

  19. Jakobus 3:5ca. 60 n.Chr.

    Alzo is ook de tong een klein lid, en roemt nochtans grote dingen. Ziet, een klein vuur, hoe groten hoop houts het aansteekt.

  20. Jakobus 3:6ca. 60 n.Chr.

    De tong is ook een vuur, een wereld der ongerechtigheid; alzo is de tong onder onze leden gesteld, welke het gehele lichaam besmet, en ontsteekt het rad onzer geboorte, en wordt ontstoken van de hel.

  21. Jakobus 3:7ca. 60 n.Chr.

    Want alle natuur, beide der wilde dieren en der vogelen, beide der kruipende en der zeedieren, wordt getemd en is getemd geweest van de menselijke natuur.

  22. Jakobus 3:8ca. 60 n.Chr.

    Maar de tong kan geen mens temmen; zij is een onbedwingelijk kwaad, vol van dodelijk venijn.

  23. Jakobus 3:9ca. 60 n.Chr.

    Door haar loven wij God en den Vader, en door haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn.

  24. Jakobus 3:10ca. 60 n.Chr.

    Uit denzelfden mond komt voort zegening en vervloeking. Dit moet, mijn broeders, alzo niet geschieden.

  25. Jakobus 3:11ca. 60 n.Chr.

    Welt ook een fontein uit een zelfde ader het zoet en het bitter?