- English
- King James KJV
- Complete Jewish CJB
- World English WEBM
- Berean Standard BSB
- American Standard ASV
- Geneva GNV
- Young's Literal YLT
- Douay-Rheims DRC
- International
- Shqip ALB
- العربية SVD
- বাংলা BN-IRV
- မြန်မာ Judson
- 简体文 CUV-S
- 繁體中文 CUV-T
- Čeština BKR
- Nederlands STVE
- Français LSG
- Deutsch SCH
- Ελληνικά Vamvas
- ગુજરાતી GU-IRV
- Hausa HCB
- עברית Hebrew
- हिन्दी HCV
- Magyar KAROLI
- Bahasa Indonesia INDO-TB
- Italiano Diodati
- 日本語 Kougo
- 한국어 Korean
- മലയാളം MAL
- मराठी MRCV
- Norsk DNB
- فارسی OPV
- Polski BG
- Português Almeida
- Română Cornilescu
- Русский Synodal
- Español RVG
- Kiswahili Neno
- Svenska SV1917
- Tagalog TAG-ADB
- தமிழ் TCV
- తెలుగు TSA
- ภาษาไทย THAI-KJV
- Українська Ohienko
- Tiếng Việt CADMAN
- Yorùbá YCB
Spreuken26
Listen to this chapter
0:00
0:00
Spreuken over de dwaas en de dwaasheid
1
Gelijk de sneeuw in den zomer, en gelijk de regen in den oogst, alzo past den zot de eer niet.
2
Gelijk de mus is tot wegzweven, gelijk een zwaluw tot vervliegen, alzo zal een vloek, die zonder oorzaak is, niet komen.
3
Een zweep is voor het paard, een toom voor den ezel, en een roede voor den rug der zotten.
4
Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt.
5
Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.
6
Hij snijdt zich de voeten af, en drinkt geweld, die boodschappen zendt door de hand van een zot.
7
Hef de benen van den kreupele op; alzo is een spreuk in den mond der zotten.
8
Gelijk hij, die een edel gesteente in een slinger bindt, alzo is hij, die den zot eer geeft.
9
Gelijk een doorn gaat in de hand eens dronkaards, alzo is een spreuk in den mond der zotten.
10
De groten doen een iegelijk verdriet aan, en huren de zotten, en huren de overtreders.
11
Gelijk een hond tot zijn uitspuwsel wederkeert, alzo herneemt de zot zijn dwaasheid.
12
Hebt gij een man gezien, die wijs in zijn ogen is! Van een zot is meer verwachting dan van hem.
De dwaasheid van de luiaard
13
De luiaard zegt: Er is een felle leeuw op den weg, een leeuw is op de straten.
14
Een deur keert om op haar herre, alzo de luiaard op zijn bed.
15
De luiaard verbergt zijn hand in den boezem, hij is te moede, om die weder tot zijn mond te brengen.
16
De luiaard is wijzer in zijn ogen, dan zeven, die met rede antwoorden.
Het vermijden van twist en laster
17
De voorbijgaande, die zich vertoornt in een twist, die hem niet aangaat, is gelijk die een hond bij de oren grijpt.
18
Gelijk een, die zich veinst te razen, die vuursprankelen, pijlen en dodelijke dingen werpt;
19
Alzo is een man, die zijn naaste bedriegt, en zegt: Jok ik er niet mede?
20
Als er geen hout is, gaat het vuur uit; en als er geen oorblazer is, wordt het gekijf gestild.
21
De dove kool is om de vurige kool, en het hout om het vuur; alzo is een kijfachtig man, om twist te ontsteken.
22
De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.
Het gevaar van bedrog en boosaardigheid
23
Brandende lippen, en een boos hart, zijn als een potscherf met schuim van zilver overtogen.
24
Die haat draagt, gelaat zich vreemd met zijn lippen; maar in zijn binnenste stelt hij bedrog aan.
25
Als hij met zijn stem smeekt, geloof hem niet, want zeven gruwelen zijn in zijn hart.
26
Wiens haat door bedrog bedekt is, diens boosheid zal in de gemeente geopenbaard worden.
27
Die een kuil graaft, zal er in vallen, en die een steen wentelt, op hem zal hij wederkeren.
28
Een valse tong haat degenen, die zij verbrijzelt; en een gladde mond maakt omstoting.
Use ← → arrow keys to navigate
Settings
Reading Style
Typeface
Font Size px
Options
Study Note