Naar de inhoud

Bijbelverzen over Women

304 verzen · 47 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Dit woord nu was goed in de ogen des konings en der vorsten; en de koning deed naar het woord van Memuchan.

  2. En hij zond brieven aan al de landschappen des konings, aan een iegelijk landschap naar zijn schrift, en aan elk volk naar zijn spraak, dat elk man overheer in zijn huis wezen zou, en spreken naar de spraak zijns volks.

  3. En die jonge dochter was schoon in zijn ogen, en zij verkreeg gunst voor zijn aangezicht; daarom haastte hij met haar versierselen en met haar delen haar te geven, en zeven aanzienlijke jonge dochters haar te geven uit het huis des konings; en hij verplaatste haar en haar jonge dochters naar het beste van het huis der vrouwen.

  4. Mordechai nu wandelde allen dag voor het voorhof van het huis der vrouwen, om te vernemen naar den welstand van Esther, en wat met haar geschieden zou.

  5. Het vuur verteerde hun jongelingen, en hun jonge dochters werden niet geprezen.

  6. Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.

  7. Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.

  8. Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel.

  9. Zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn klederen niet verbrand worden?

  10. Zal iemand op kolen gaan, dat zijn voeten niet branden?

  11. Alzo die tot zijns naasten huisvrouw ingaat; al wie haar aanroert, zal niet onschuldig gehouden worden.

  12. Maar die met een vrouw overspel doet, is verstandeloos; hij verderft zijn ziel, die dat doet;

  13. Plage en schande zal hij vinden, en zijn smaad zal niet uitgewist worden.

  14. Want jaloersheid is een grimmigheid des mans; en in den dag der wraak zal hij niet verschonen.

  15. Hij zal geen verzoening aannemen; en hij zal niet bewilligen, ofschoon gij het geschenk vergroot.

  16. Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit;

  17. En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jonge gezellen een verstandelozen jongeling;

  18. Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.

  19. In de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de donkerheid;

  20. En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede;

  21. Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;

  22. Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;

  23. En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zeide tot hem:

  24. Dankoffers zijn bij mij, ik heb heden mijn geloften betaald;

  25. Daarom ben ik uitgegaan u tegemoet, om uw aangezicht naarstiglijk te zoeken, en ik heb u gevonden.