Naar de inhoud

Bijbelverzen over Birds

71 verzen · 107 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;

  2. En de steenuil, en de schuifuit, en de kauw,

  3. En de roerdomp, en de pelikaan, en het duikertje;

  4. En de ooievaar, en de reiger naar zijn aard; en de hop, en de vledermuis;

  5. Ook al het kruipend gevogelte zal ulieden onrein zijn; zij zullen niet gegeten worden.

  6. Al het rein gevogelte zult gij eten.

  7. Wanneer voor uw aangezicht een vogelnest op den weg voorkomt, in enigen boom, of op de aarde, met jongen of eieren, en de moeder zittende op de jongen of op de eieren, zo zult gij de moeder met de jongen niet nemen.

  8. Gij zult de moeder ganselijk vrijlaten; maar de jongen zult gij voor u nemen; opdat het u welga, en gij de dagen verlengt.

  9. Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen?

  10. Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult gij uw arbeid op hem laten?

  11. Zult gij hem geloven, dat hij uw zaad zal wederbrengen, en vergaderen tot uw dorsvloer?

  12. Zijn an u de verheugelijke vleugelen der pauwen? Of de vederen des ooievaars, en des struisvogels?

  13. Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt.

  14. En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen?

  15. Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans.

  16. Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin.

  17. In het volle geklank der bazuin, zegt het: Heah! en ruikt den krijg van verre, den donder der vorsten en het gejuich.

  18. Vliegt de sperwer door uw verstand, en breidt hij zijn vleugelen uit naar het zuiden?

  19. Is het naar uw bevel, dat de arend zich omhoog verheft, en dat hij zijn nest in de hoogte maakt? [ (Job 39:31) Hij woont en vernacht in de steenrots, op de scherpte der steenrots en der vaste plaats. ] [ (Job 39:32) Van daar speurt hij de spijze op; zijn ogen zien van verre af. ] [ (Job 39:33) Ook zuipen zijn jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij. ] [ (Job 39:34) En de HEERE antwoordde Job, en zeide: ] [ (Job 39:35) Is het twisten met den Almachtige onderrichten? Wie God bestraft, die antwoorde daarop. ] [ (Job 39:36) Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide: ] [ (Job 39:37) Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond. ] [ (Job 39:38) Eenmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden; of tweemaal, maar zal niet voortvaren. ]

  20. Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?

  21. En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?

  22. Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;

  23. Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.

  24. Loof den HEERE, mijn ziel! O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot, Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid.

  25. Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.