Naar de inhoud

Bijbelverzen over Betrayal: Of Jesus

17 verzen · 4 aspecten

Verzen over Of Jesus

  1. Toen ging een van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, tot de overpriesters,

  2. En zeide: Wat wilt gij mij geven, en ik zal Hem u overleveren? En zij hebben hem toegelegd dertig zilveren penningen.

  3. En van toen af zocht hij gelegenheid, opdat hij Hem overleveren mocht.

  4. Toen kwam Hij tot Zijn discipelen, en zeide tot hen: Slaapt nu voort, en rust; ziet, de ure is nabij gekomen, en de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der zondaren.

  5. Staat op, laat ons gaan; ziet, hij is nabij, die Mij verraadt.

  6. En als Hij nog sprak, ziet, Judas, een van de twaalven, kwam, en met hem een grote schare, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters en ouderlingen des volks.

  7. En die Hem verried, had hun een teken gegeven, zeggende: Dien ik zal kussen, Dezelve is het, grijpt Hem.

  8. En terstond komende tot Jezus, zeide hij: Wees gegroet, Rabbi! en hij kuste Hem.

  9. Maar Jezus zeide tot hem: Vriend! waartoe zijt gij hier! Toen kwamen zij toe, en sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem.

  10. En Judas Iskariot, een van de twaalven, ging heen tot de overpriesters, opdat hij Hem hun zou overleveren.

  11. En zij, dat horende, waren verblijd, en beloofden hem geld te geven; en hij zocht, hoe hij Hem bekwamelijk overleveren zou.

  12. En de satan voer in Judas, die toegenaamd was Iskariot, zijnde uit het getal der twaalven.

  13. En hij ging heen en sprak met de overpriesters en de hoofdmannen, hoe hij Hem hun zou overleveren.

  14. En zij waren verblijd, en zijn het eens geworden, dat zij hem geld geven zouden.

  15. En hij beloofde het, en zocht gelegenheid, om Hem hun over te leveren, zonder oproer.

  16. En als Hij nog sprak, ziet daar een schare; en een van de twaalven, die genaamd was Judas, ging hun voor, en kwam bij Jezus, om Hem te kussen.

  17. En Jezus zeide tot hem: Judas, verraadt gij den Zoon des mensen met een kus?