Naar de inhoud

circa 1010–970 BC

The Reign of David

David unites the tribes, conquers Jerusalem, and establishes Israel's golden age—even through deep personal failure.

1,230 verzen · 2 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. 2 Samuel 13:31ca. 1030 v.Chr.

    Toen stond de koning op, en scheurde zijn klederen, en legde zich neder ter aarde; desgelijks stonden al zijn knechten met gescheurde klederen.

  2. 2 Samuel 13:32ca. 1030 v.Chr.

    Maar Jonadab, de zoon van Simea, Davids broeder, antwoordde en zeide: Mijn heer zegge niet, dat zij al de jongelingen, des konings zonen, gedood hebben; maar Amnon alleen is dood; want bij Absalom is er op toegelegd, van den dag af, dat hij zijn zuster Thamar verkracht heeft.

  3. 2 Samuel 13:33ca. 1030 v.Chr.

    Zo neme nu mijn heer de koning de zaak niet in zijn hart, denkende: al des konings zonen zijn dood; want Amnon alleen is dood.

  4. 2 Samuel 13:34ca. 1030 v.Chr.

    Absalom nu vluchtte; en de jongen, die de wacht hield, hief zijn ogen op, en zag toe, en ziet, er kwam veel volks van den weg achter hem, aan de zijde van het gebergte.

  5. 2 Samuel 13:35ca. 1030 v.Chr.

    Toen zeide Jonadab tot den koning: Zie, de zonen des konings komen; naar het woord uws knechts, alzo is het geschied.

  6. 2 Samuel 13:36ca. 1030 v.Chr.

    En het geschiedde, als hij geeindigd had te spreken, ziet, zo kwamen de zonen des konings, en hieven hun stemmen op en weenden; en de koning ook en al zijn knechten weenden met een zeer groot geween.

  7. 2 Samuel 13:37ca. 1030 v.Chr.

    (Absalom dan vluchtte, en toog tot Thalmai, den zoon van Ammihur, koning van Gesur.) En hij droeg rouw over zijn zoon, al die dagen.

  8. 2 Samuel 13:38ca. 1030 v.Chr.

    Alzo vluchtte Absalom, en toog naar Gesur; en hij was aldaar drie jaren.

  9. 2 Samuel 13:39ca. 1030 v.Chr.

    Toen verlangde de ziel van den koning David zeer om naar Absalom uit te trekken; want hij had zich getroost over Amnon, dat hij dood was.

  10. 2 Samuel 14:1ca. 1027 v.Chr.

    Als nu Joab, de zoon van Zeruja, merkte, dat des konings hart over Absalom was;

  11. 2 Samuel 14:2ca. 1027 v.Chr.

    Zo zond Joab heen naar Thekoa, en nam van daar een wijze vrouw; en hij zeide tot haar: Stel u toch, alsof gij rouw droegt, en trek nu rouwklederen aan, en zalf u niet met olie, en wees als een vrouw, die nu vele dagen rouw gedragen heeft over een dode;

  12. 2 Samuel 14:3ca. 1027 v.Chr.

    En ga in tot den koning, en spreek tot hem naar dit woord. En Joab legde de woorden in haar mond.

  13. 2 Samuel 14:4ca. 1027 v.Chr.

    En de Thekoietische vrouw zeide tot den koning, als zij op haar aangezicht ter aarde was gevallen, en zich nedergebogen had, zo zeide zij: Behoud, o koning!

  14. 2 Samuel 14:5ca. 1027 v.Chr.

    En de koning zeide tot haar: Wat is u? En zij zeide: Zekerlijk, ik ben een weduwvrouw, en mijn man is gestorven.

  15. 2 Samuel 14:6ca. 1027 v.Chr.

    Nu had uw dienstmaagd twee zonen, en deze beiden twistten in het veld, en er was geen scheider tussen hen; en de een sloeg den ander, en doodde hem.

  16. 2 Samuel 14:7ca. 1027 v.Chr.

    En zie, het ganse geslacht is opgestaan tegen uw dienstmaagd, en hebben gezegd: Geef dien hier, die zijn broeder geslagen heeft, dat wij hem voor de ziel zijns broeders, dien hij doodgeslagen heeft, doden, en ook den erfgenaam verdelgen; alzo zullen zij mijn kool, die overgebleven is, uitblussen, opdat zij mijn man geen naam noch overblijfsel laten op den aardbodem.

  17. 2 Samuel 14:8ca. 1027 v.Chr.

    Toen zeide de koning tot deze vrouw: Ga naar uw huis, en ik zal voor u gebieden.

  18. 2 Samuel 14:9ca. 1027 v.Chr.

    En de Thekoietische vrouw zeide tot den koning: Mijn heer koning, de ongerechtigheid zij op mij en op mijns vaders huis; de koning daarentegen, en zijn stoel, zij onschuldig.

  19. 2 Samuel 14:10ca. 1027 v.Chr.

    En de koning zeide: Spreekt iemand tegen u, zo breng hem tot mij; en hij zal u voortaan niet meer aantasten.

  20. 2 Samuel 14:11ca. 1027 v.Chr.

    En zij zeide: De koning gedenke toch aan den HEERE, uw God, dat de bloedwrekers niet te vele worden om te verderven, dat zij mijn zoon niet verdelgen. Toen zeide hij: Zo waarachtig als de HEERE leeft, indien er een van de haren uws zoons op de aarde zal vallen!

  21. 2 Samuel 14:12ca. 1027 v.Chr.

    Toen zeide deze vrouw: Laat toch uw dienstmaagd een woord tot mijn heer den koning spreken. En hij zeide: Spreek.

  22. 2 Samuel 14:13ca. 1027 v.Chr.

    En de vrouw zeide: Waarom hebt gij dan alzulks tegen Gods volk gedaan? Want daaruit, dat de koning dit woord gesproken heeft, is hij als een schuldige, dewijl de koning zijn verstotene niet wederhaalt.

  23. 2 Samuel 14:14ca. 1027 v.Chr.

    Want wij zullen den dood sterven, en wezen als water, dat, ter aarde uitgestort zijnde, niet verzameld wordt. God dan zal de ziel niet wegnemen, maar Hij zal gedachten denken, dat Hij den verstotene niet van Zich verstote.

  24. 2 Samuel 14:15ca. 1027 v.Chr.

    Nu dan, dat ik gekomen ben, om ditzelve woord tot den koning, mijn heer, te spreken, is omdat het volk mij vreesachtig gemaakt heeft; zo zeide uw dienstmaagd: Ik zal nu tot den koning spreken; misschien zal de koning het woord zijner dienstmaagd doen.

  25. 2 Samuel 14:16ca. 1027 v.Chr.

    Want de koning zal horen, om zijn dienstmaagd te redden van de hand des mans, die voorheeft mij en mijn zoon te zamen van Gods erve te verdelgen.