Naar de inhoud

circa 6 BC – AD 30

The Life of Jesus

The eternal Son of God enters history: born in Bethlehem, baptized in the Jordan, crucified at Golgotha, raised on the third day.

3,779 verzen · 4 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Mattheüs 22:23ca. 33 n.Chr.

    Te dienzelfden dage kwamen tot Hem de Sadduceen, die zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem,

  2. Mattheüs 22:24ca. 33 n.Chr.

    Zeggende: Meester! Mozes heeft gezegd: Indien iemand sterft, geen kinderen hebbende, zo zal zijn broeder deszelfs vrouw trouwen, en zijn broeder zaad verwekken.

  3. Mattheüs 22:25ca. 33 n.Chr.

    Nu waren er bij ons zeven broeders; en de eerste, een vrouw getrouwd hebbende, stierf; en dewijl hij geen zaad had, zo liet hij zijn vrouw voor zijn broeder.

  4. Mattheüs 22:26ca. 33 n.Chr.

    Desgelijks ook de tweede, en de derde, tot de zevende toe.

  5. Mattheüs 22:27ca. 33 n.Chr.

    Ten laatste na allen, is ook de vrouw gestorven.

  6. Mattheüs 22:28ca. 33 n.Chr.

    In de opstanding dan, wiens vrouw zal zij wezen van die zeven, want zij hebben ze allen gehad?

  7. Mattheüs 22:29ca. 33 n.Chr.

    Maar Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gij dwaalt, niet wetende de Schriften, noch de kracht Gods.

  8. Mattheüs 22:30ca. 33 n.Chr.

    Want in de opstanding nemen zij niet ten huwelijk, noch worden ten huwelijk uitgegeven; maar zij zijn als engelen Gods in de hemel.

  9. Mattheüs 22:31ca. 33 n.Chr.

    En wat aangaat de opstanding der doden, hebt gij niet gelezen, hetgeen van God tot ulieden gesproken is, Die daar zegt:

  10. Mattheüs 22:32ca. 33 n.Chr.

    Ik ben de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs! God is niet een God der doden, maar der levenden.

  11. Mattheüs 22:33ca. 33 n.Chr.

    En de scharen, dit horende, werden verslagen over Zijn leer.

  12. Mattheüs 22:34ca. 33 n.Chr.

    En de Farizeen, gehoord hebbende, dat Hij de Sadduceen den mond gestopt had, zijn te zamen bijeenvergaderd.

  13. Mattheüs 22:35ca. 33 n.Chr.

    En een uit hen, zijnde een Wetgeleerde, heeft gevraagd, Hem verzoekende, en zeggende:

  14. Mattheüs 22:36ca. 33 n.Chr.

    Meester! welk is het grote gebod in de wet?

  15. Mattheüs 22:37ca. 33 n.Chr.

    En Jezus zeide tot hem: Gij zult liefhebben den Heere, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand.

  16. Mattheüs 22:38ca. 33 n.Chr.

    Dit is het eerste en het grote gebod.

  17. Mattheüs 22:39ca. 33 n.Chr.

    En het tweede aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven.

  18. Mattheüs 22:40ca. 33 n.Chr.

    Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten.

  19. Mattheüs 22:41ca. 33 n.Chr.

    Als nu de Farizeen samenvergaderd waren, vraagde hun Jezus,

  20. Mattheüs 22:42ca. 33 n.Chr.

    En zeide: Wat dunkt u van den Christus? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: Davids Zoon.

  21. Mattheüs 22:43ca. 33 n.Chr.

    Hij zeide tot hen: Hoe noemt Hem dan David, in de Geest, zijn Heere? zeggende:

  22. Mattheüs 22:44ca. 33 n.Chr.

    De Heere heeft gezegd tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.

  23. Mattheüs 22:45ca. 33 n.Chr.

    Indien Hem dan David noemt zijn Heere, hoe is Hij zijn Zoon?

  24. Mattheüs 22:46ca. 33 n.Chr.

    En niemand kon Hem een woord antwoorden; noch iemand durfde Hem van dien dag aan iets meer vragen.

  25. Mattheüs 23:1ca. 33 n.Chr.

    Toen sprak Jezus tot de scharen en tot Zijn discipelen,