Naar de inhoud

circa 6 BC – AD 30

The Life of Jesus

The eternal Son of God enters history: born in Bethlehem, baptized in the Jordan, crucified at Golgotha, raised on the third day.

3,779 verzen · 4 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Lukas 19:39ca. 33 n.Chr.

    En sommigen der Farizeen uit de schare zeiden tot Hem: Meester, bestraf Uw discipelen.

  2. Lukas 19:40ca. 33 n.Chr.

    En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Ik zeg ulieden, dat, zo deze zwijgen, de stenen haast roepen zullen.

  3. Lukas 19:41ca. 33 n.Chr.

    En als Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over haar,

  4. Lukas 19:42ca. 33 n.Chr.

    Zeggende: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen.

  5. Lukas 19:43ca. 33 n.Chr.

    Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een begraving rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen, en u van alle zijden benauwen;

  6. Lukas 19:44ca. 33 n.Chr.

    En zullen u tot den grond nederwerpen, en uw kinderen in u; en zij zullen in u den enen steen op den anderen steen niet laten; daarom dat gij den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt.

  7. Lukas 19:45ca. 33 n.Chr.

    En gegaan zijnde in den tempel, begon Hij uit te drijven degenen, die daarin verkochten en kochten,

  8. Lukas 19:46ca. 33 n.Chr.

    Zeggende tot hen: Er is geschreven: Mijn huis is een huis des gebeds; maar gij hebt dat tot een kuil der moordenaren gemaakt.

  9. Lukas 19:47ca. 33 n.Chr.

    En Hij leerde dagelijks in den tempel; en de overpriesters, en de Schriftgeleerden, en de oversten des volks zochten Hem te doden.

  10. Lukas 19:48ca. 33 n.Chr.

    En zij vonden niet, wat zij doen zouden; want al het volk hing Hem aan, en hoorde Hem.

  11. Lukas 20:1ca. 33 n.Chr.

    En het geschiedde in een van die dagen, als Hij in den tempel het volk leerde, en het Evangelie verkondigde, dat de overpriesters, en Schriftgeleerden, met de ouderlingen daarover kwamen,

  12. Lukas 20:2ca. 33 n.Chr.

    En spraken tot Hem zeggende: Zeg ons, door wat macht Gij deze dingen doet; of wie Hij is, Die U deze macht heeft gegeven?

  13. Lukas 20:3ca. 33 n.Chr.

    En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen, en zegt Mij:

  14. Lukas 20:4ca. 33 n.Chr.

    De doop van Johannes, was die uit den Hemel, of uit de mensen?

  15. Lukas 20:5ca. 33 n.Chr.

    En zij overleiden onder zich, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den Hemel; zo zal Hij zeggen: Waarom hebt gij dan hem niet geloofd?

  16. Lukas 20:6ca. 33 n.Chr.

    En indien wij zeggen: Uit de mensen; zo zal ons al het volk stenigen; want zij houden voor zeker, dat Johannes een profeet was.

  17. Lukas 20:7ca. 33 n.Chr.

    En zij antwoordden, dat zij niet wisten, vanwaar die was.

  18. Lukas 20:8ca. 33 n.Chr.

    En Jezus zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik deze dingen doe.

  19. Lukas 20:9ca. 33 n.Chr.

    En Hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: Een zeker mens plantte een wijngaard, en hij verhuurde dien aan landlieden, en trok een langen tijd buitenslands.

  20. Lukas 20:10ca. 33 n.Chr.

    En als het de tijd was, zond hij tot de landlieden een dienstknecht, opdat zij hem van de vrucht des wijngaards geven zouden; maar de landlieden sloegen denzelven, en zonden hem ledig heen.

  21. Lukas 20:11ca. 33 n.Chr.

    En wederom zond hij nog een anderen dienstknecht; maar ook dien geslagen en smadelijk behandeld hebbende, zonden zij hem ledig heen.

  22. Lukas 20:12ca. 33 n.Chr.

    En wederom zond hij nog een derden; maar zij verwondden ook dezen, en wierpen hem uit.

  23. Lukas 20:13ca. 33 n.Chr.

    En de heer des wijngaards zeide: Wat zal ik doen? Ik zal mijn geliefden zoon zenden; mogelijk dezen ziende, zullen zij hem ontzien.

  24. Lukas 20:14ca. 33 n.Chr.

    Maar als de landlieden hem zagen, overleiden zij onder elkander, en zeiden: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden, opdat de erfenis onze worde.

  25. Lukas 20:15ca. 33 n.Chr.

    En als zij hem buiten den wijngaard uitgeworpen hadden, doodden zij hem. Wat zal dan de heer des wijngaards hun doen?