circa 6 BC – AD 30
The Life of Jesus
The eternal Son of God enters history: born in Bethlehem, baptized in the Jordan, crucified at Golgotha, raised on the third day.
Verzen uit dit tijdvak
- Lukas 18:32ca. 33 n.Chr.
Want Hij zal den heidenen overgeleverd worden, en Hij zal bespot worden, en smadelijk behandeld worden, en bespogen worden.
- Lukas 18:33ca. 33 n.Chr.
En Hem gegeseld hebbende, zullen zij Hem doden; en ten derden dage zal Hij wederopstaan.
- Lukas 18:34ca. 33 n.Chr.
En zij verstonden geen van deze dingen; en dit woord was voor hen verborgen, en zij verstonden niet, hetgeen gezegd werd.
- Lukas 18:35ca. 33 n.Chr.
En het geschiedde, als Hij nabij Jericho kwam, dat een zeker blinde aan den weg zat, bedelende.
- Lukas 18:36ca. 33 n.Chr.
En deze, horende de schare voorbijgaan, vraagde, wat dat ware.
- Lukas 18:37ca. 33 n.Chr.
En zij boodschapten hem, dat Jezus de Nazarener voorbijging.
- Lukas 18:38ca. 33 n.Chr.
En hij riep, zeggende: Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner!
- Lukas 18:39ca. 33 n.Chr.
En die voorbijgingen, bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel te meer: Zone Davids, ontferm U mijner!
- Lukas 18:40ca. 33 n.Chr.
En Jezus, stilstaande, beval, dat men denzelven tot Hem brengen zou; en als hij nabij Hem gekomen was, vraagde Hij hem,
- Lukas 18:41ca. 33 n.Chr.
Zeggende: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? En hij zeide: Heere! dat ik ziende mag worden.
- Lukas 18:42ca. 33 n.Chr.
En Jezus zeide tot hem: Word ziende; uw geloof heeft u behouden.
- Lukas 18:43ca. 33 n.Chr.
En terstond werd hij ziende, en volgde Hem, God verheerlijkende. En al het volk, dat ziende, gaf Gode lof.
- Lukas 19:1ca. 33 n.Chr.
En Jezus, ingekomen zijnde, ging door Jericho.
- Lukas 19:2ca. 33 n.Chr.
En zie, er was een man, met name geheten Zacheus; en deze was een overste der tollenaren, en hij was rijk;
- Lukas 19:3ca. 33 n.Chr.
En zocht Jezus te zien, wie Hij was; en kon niet vanwege de schare, omdat hij klein van persoon was.
- Lukas 19:4ca. 33 n.Chr.
En vooruitlopende, klom hij op een wilden vijgeboom, opdat hij Hem mocht zien; want Hij zou door dien weg voorbijgaan.
- Lukas 19:5ca. 33 n.Chr.
En als Jezus aan die plaats kwam, opwaarts ziende, zag Hij hem, en zeide tot hem: Zacheus! haast u, en kom af; want Ik moet heden in uw huis blijven.
- Lukas 19:6ca. 33 n.Chr.
En hij haastte zich en kwam af, en ontving Hem met blijdschap.
- Lukas 19:7ca. 33 n.Chr.
En allen, die het zagen, murmureerden, zeggende: Hij is tot een zondigen man ingegaan, om te herbergen.
- Lukas 19:8ca. 33 n.Chr.
En Zacheus stond, en zeide tot den Heere: Zie, de helft van mijn goederen, Heere, geef ik den armen; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder.
- Lukas 19:9ca. 33 n.Chr.
En Jezus zeide tot hem: Heden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook deze een zoon van Abraham is.
- Lukas 19:10ca. 33 n.Chr.
Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
- Lukas 19:11ca. 33 n.Chr.
En als zij dat hoorden, voegde Hij daarbij, en zeide een gelijkenis; omdat Hij nabij Jeruzalem was, en omdat zij meenden, dat het Koninkrijk Gods terstond zou openbaar worden.
- Lukas 19:12ca. 33 n.Chr.
Hij zeide dan: Een zeker welgeboren man reisde in een ver gelegen land, om voor zichzelven een koninkrijk te ontvangen, en dan weder te keren.
- Lukas 19:13ca. 33 n.Chr.
En geroepen hebbende zijn tien dienstknechten, gaf hij hun tien ponden, en zeide tot hen: Doet handeling, totdat ik kome.