- English
- King James KJV
- Complete Jewish CJB
- World English WEBM
- Berean Standard BSB
- American Standard ASV
- Geneva GNV
- Young's Literal YLT
- Douay-Rheims DRC
- International
- Shqip ALB
- العربية SVD
- বাংলা BN-IRV
- မြန်မာ Judson
- 简体文 CUV-S
- 繁體中文 CUV-T
- Čeština BKR
- Nederlands STVE
- Français LSG
- Deutsch SCH
- Ελληνικά Vamvas
- ગુજરાતી GU-IRV
- Hausa HCB
- עברית Hebrew
- हिन्दी HCV
- Magyar KAROLI
- Bahasa Indonesia INDO-TB
- Italiano Diodati
- 日本語 Kougo
- 한국어 Korean
- മലയാളം MAL
- मराठी MRCV
- Norsk DNB
- فارسی OPV
- Polski BG
- Português Almeida
- Română Cornilescu
- Русский Synodal
- Español RVG
- Kiswahili Neno
- Svenska SV1917
- Tagalog TAG-ADB
- தமிழ் TCV
- తెలుగు TSA
- ภาษาไทย THAI-KJV
- Українська Ohienko
- Tiếng Việt CADMAN
- Yorùbá YCB
Creation Era
The Great Flood
Humanity's wickedness fills the earth; God preserves Noah and his family through a catastrophic flood.
Verzen uit dit tijdvak
- Genesis 7:4ca. 2348 v.Chr.
Want over nog zeven dagen zal Ik doen regenen op de aarde veertig dagen, en veertig nachten; en Ik zal van den aardbodem verdelgen al wat bestaat, dat Ik gemaakt heb.
- Genesis 7:5ca. 2348 v.Chr.
En Noach deed, naar al wat de HEERE hem geboden had.
- Genesis 7:6ca. 2348 v.Chr.
Noach nu was zeshonderd jaren oud, als de vloed der wateren op de aarde was.
- Genesis 7:7ca. 2348 v.Chr.
Zo ging Noach, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen zijner zonen met hem in de ark, vanwege de wateren des vloeds.
- Genesis 7:8ca. 2348 v.Chr.
Van het reine vee, en van het vee, dat niet rein was, en van het gevogelte, en al wat op den aardbodem kruipt,
- Genesis 7:9ca. 2348 v.Chr.
Kwamen er twee en twee tot Noach in de ark, het mannetje en het wijfje, gelijk als God Noach geboden had.
- Genesis 7:10ca. 2348 v.Chr.
En het geschiedde na die zeven dagen, dat de wateren des vloeds op de aarde waren.
- Genesis 7:11ca. 2348 v.Chr.
In het zeshonderdste jaar des levens van Noach, in de tweede maand, op de zeventiende dag der maand, op dezen zelfden dag zijn alle fonteinen des groten afgronds opengebroken, en de sluizen des hemels geopend.
- Genesis 7:12ca. 2348 v.Chr.
En een plasregen was op de aarde veertig dagen en veertig nachten.
- Genesis 7:13ca. 2348 v.Chr.
Even op dienzelfden dag ging Noach, en Sem, en Cham, en Jafeth, Noachs zonen, desgelijks ook Noachs huisvrouw, en de drie vrouwen zijner zonen met hem in de ark;
- Genesis 7:14ca. 2348 v.Chr.
Zij, en al het gedierte naar zijn aard, en al het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, naar zijn aard, en al het gevogelte naar zijn aard, alle vogeltjes van allerlei vleugel.
- Genesis 7:15ca. 2348 v.Chr.
En van alle vlees, waarin een geest des levens was, kwamen er twee en twee tot Noach in de ark.
- Genesis 7:16ca. 2348 v.Chr.
En die er kwamen, die kwamen mannetje en wijfje, van alle vlees, gelijk als hem God bevolen had. En de HEERE sloot achter hem toe.
- Genesis 7:17ca. 2348 v.Chr.
En die vloed was veertig dagen op de aarde, en de wateren vermeerderden, en hieven de ark op, zodat zij oprees boven de aarde.
- Genesis 7:18ca. 2348 v.Chr.
En de wateren namen de overhand, en vermeerderden zeer op de aarde; en de ark ging op de wateren.
- Genesis 7:19ca. 2348 v.Chr.
En de wateren namen gans zeer de overhand op de aarde, zodat alle hoge bergen, die onder den ganse hemel zijn, bedekt werden.
- Genesis 7:20ca. 2348 v.Chr.
Vijftien ellen omhoog namen de wateren de overhand, en de bergen werden bedekt.
- Genesis 7:21ca. 2348 v.Chr.
En alle vlees, dat zich op de aarde roerde, gaf den geest, van het gevogelte, en van het vee, en van het wild gedierte, en van al het kruipend gedierte, dat op de aarde kroop, en alle mens.
- Genesis 7:22ca. 2348 v.Chr.
Al wat een adem des geestes des levens in zijn neusgaten had, van alles wat op het droge was, is gestorven.
- Genesis 7:23ca. 2348 v.Chr.
Alzo werd verdelgd al wat bestond, dat op den aardbodem was, van den mens aan tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels, en zij werden verdelgd van de aarde; doch Noach alleen bleef over, en wat met hem in de ark was.
- Genesis 7:24ca. 2348 v.Chr.
En de wateren hadden de overhand boven de aarde, honderd en vijftig dagen.
En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil.
Ook werden de fonteinen des afgronds, en de sluizen des hemels gesloten, en de plasregen van den hemel werd opgehouden.
Daartoe keerden de wateren weder van boven de aarde, heen en weder vloeiende, en de wateren namen af ten einde van honderd en vijftig dagen.
En de ark rustte in de zevende maand, op den zeventiende dag der maand, op de bergen van Ararat.