Naar de inhoud

Bijbelverzen over Riches

225 verzen · 107 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Teth. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.

  2. Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Sela.

  3. Waarom zou ik vrezen in kwade dagen, als de ongerechtigen, die op de hielen zijn, mij omringen?

  4. Aangaande degenen, die op hun goed vertrouwen; en op de veelheid huns rijkdoms roemen;

  5. Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven;

  6. (Want de verlossing hunner ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden);

  7. Dat hij ook voortaan geduriglijk zou leven, en de verderving niet zien.

  8. God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land der levenden. Sela.

  9. Immers zijn de gemene lieden ijdelheid, de grote lieden zijn leugen; in de weegschaal opgewogen, zouden zij samen lichter zijn dan de ijdelheid.

  10. Ziet, dezen zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen.

  11. Schatten der goddeloosheid doen geen nut; maar de gerechtigheid redt van den dood.

  12. De zegen des HEEREN, die maakt rijk; en Hij voegt er geen smart bij.

  13. Goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid; maar de gerechtigheid redt van den dood.

  14. Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die zal vallen; maar de rechtvaardigen zullen groenen als loof.

  15. Er is een, die zichzelven rijk maakt, en niet met al heeft, en een, die zichzelven arm maakt, en heeft veel goed.

  16. Het rantsoen van ieders ziel is zijn rijkdom; maar de arme hoort het schelden niet.

  17. Goed, van ijdelheid gekomen, zal verminderd worden; maar die met de hand vergadert, zal het vermeerderen.

  18. De goede zal zijner kinders kinderen doen erven; maar het vermogen des zondaars is voor de rechtvaardige weggelegd.

  19. Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.

  20. In het huis des rechtvaardigen is een grote schat; maar in des goddelozen inkomst is beroerte.

  21. Beter is weinig met de vreze des HEEREN, dan een grote schat, en onrust daarbij.

  22. Beter is een gerecht van groen moes, waar ook liefde is, dan een gemeste os, en haat daarbij.

  23. Die gierigheid pleegt, beroert zijn huis; maar die geschenken haat, zal leven.

  24. Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid der inkomsten zonder recht.

  25. De arme spreekt smekingen; maar de rijke antwoordt harde dingen.