circa 6 BC – AD 30
The Life of Jesus
The eternal Son of God enters history: born in Bethlehem, baptized in the Jordan, crucified at Golgotha, raised on the third day.
Verzen uit dit tijdvak
- Lukas 4:32ca. 27 n.Chr.
En zij versloegen zich over Zijn leer, want Zijn woord was met macht.
- Lukas 4:33ca. 27 n.Chr.
En in de synagoge was een mens, hebbende een geest eens onreinen duivels; en hij riep uit met grote stemme,
- Lukas 4:34ca. 27 n.Chr.
Zeggende: Laat af, wat hebben wij met U te doen, Gij Jezus Nazarener? Zijt Gij gekomen, om ons te verderven? Ik ken U, wie Gij zijt, namelijk de Heilige Gods.
- Lukas 4:35ca. 27 n.Chr.
En Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil, en ga van hem uit. En de duivel, hem in het midden geworpen hebbende, voer van hem uit, zonder hem iets te beschadigen.
- Lukas 4:36ca. 27 n.Chr.
En er kwam een verbaasdheid over allen; en zij spraken samen tot elkander, zeggende: Wat woord is dit, dat Hij met macht en kracht den onreinen geesten gebiedt, en zij varen uit?
- Lukas 4:37ca. 27 n.Chr.
En het gerucht van Hem ging uit in alle plaatsen des omliggenden lands.
- Lukas 4:38ca. 27 n.Chr.
En Jezus, opgestaan zijnde uit de synagoge, ging in het huis van Simon; en Simons vrouws moeder was met een grote koorts bevangen, en zij baden Hem voor haar.
- Lukas 4:39ca. 27 n.Chr.
En staande boven haar, bestrafte Hij de koorts, en de koorts verliet haar; en zij van stonde aan opstaande, diende henlieden.
- Lukas 4:40ca. 27 n.Chr.
En als de zon onderging, brachten allen, die kranken hadden, met verscheidenen ziekten bevangen, die tot Hem, en Hij legde een iegelijk van hen de handen op, en genas dezelve.
- Lukas 4:41ca. 27 n.Chr.
En er voeren ook duivelen uit van velen, roepende en zeggende: Gij zijt de Christus, de Zone Gods! En hen bestraffende, liet Hij die niet spreken, omdat zij wisten, dat Hij de Christus was.
- Lukas 4:42ca. 27 n.Chr.
En als het dag werd, ging Hij uit, en trok naar een woeste plaats; en de scharen zochten Hem, en kwamen tot bij Hem, en hielden Hem op, dat Hij van hen niet zou weggaan.
- Lukas 4:43ca. 27 n.Chr.
Maar Hij zeide tot hen: Ik moet ook anderen steden het Evangelie van het Koninkrijk Gods verkondigen; want daartoe ben Ik uitgezonden.
- Lukas 4:44ca. 27 n.Chr.
En Hij predikte in de synagogen van Galilea.
- Lukas 5:1ca. 31 n.Chr.
En het geschiedde, als de schare op Hem aandrong, om het Woord Gods te horen, dat Hij stond bij het meer Gennesareth.
- Lukas 5:2ca. 31 n.Chr.
En Hij zag twee schepen aan den oever van het meer liggende, en de vissers waren daaruit gegaan, en spoelden de netten.
- Lukas 5:3ca. 31 n.Chr.
En Hij ging in een van die schepen, hetwelk van Simon was, en bad hem, dat hij een weinig van het land afstak; en nederzittende, leerde Hij de scharen uit het schip.
- Lukas 5:4ca. 31 n.Chr.
En als Hij afliet van spreken, zeide Hij tot Simon: Steek af naar de diepte, en werp uw netten uit om te vangen.
- Lukas 5:5ca. 31 n.Chr.
En Simon antwoordde en zeide tot Hem: Meester, wij hebben den gehelen nacht over gearbeid, en niet gevangen; doch op Uw woord zal ik het net uitwerpen.
- Lukas 5:6ca. 31 n.Chr.
En als zij dat gedaan hadden, besloten zij een grote menigte vissen, en hun net scheurde.
- Lukas 5:7ca. 31 n.Chr.
En zij wenkten hun medegenoten, die in het andere schip waren, dat zij hen zouden komen helpen. En zij kwamen, en vulden beide de schepen, zodat zij bijna zonken.
- Lukas 5:8ca. 31 n.Chr.
En Simon Petrus, dat ziende, viel neder aan de knieen van Jezus, zeggende: Heere! ga uit van mij; want ik ben een zondig mens.
- Lukas 5:9ca. 31 n.Chr.
Want verbaasdheid had hem bevangen, en allen, die met hem waren, over de vangst der vissen, die zij gevangen hadden;
- Lukas 5:10ca. 31 n.Chr.
En desgelijks ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeus, die medegenoten van Simon waren. En Jezus zeide tot Simon: Vrees niet; van nu aan zult gij mensen vangen.
- Lukas 5:11ca. 31 n.Chr.
En als zij de schepen aan land gestuurd hadden, verlieten zij alles, en volgden Hem.
- Lukas 5:12ca. 31 n.Chr.
En het geschiedde, als Hij in een dier steden was, ziet, er was een man vol melaatsheid; en Jezus ziende, viel hij op het aangezicht, en bad Hem, zeggende: Heere! zo Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.