Naar de inhoud

circa AD 30–62

The Early Church

Pentecost ignites a movement; Peter, Paul, and countless others carry the gospel from Jerusalem to the ends of the earth.

1,007 verzen · 1 boek behandeld

Verzen uit dit tijdvak

  1. Handelingen 7:8ca. 33 n.Chr.

    En Hij gaf hem het verbond der besnijdenis; en alzo gewon hij Izak, en besneed hem op den achtsten dag; en Izak gewon Jakob, en Jakob de twaalf patriarchen.

  2. Handelingen 7:9ca. 33 n.Chr.

    En de patriarchen, nijdig zijnde, verkochten Jozef, om naar Egypte gebracht te worden; en God was met hem,

  3. Handelingen 7:10ca. 33 n.Chr.

    En verloste hem uit al zijn verdrukkingen, en gaf hem genade en wijsheid voor Farao, den koning van Egypteland; en hij stelde hem tot een overste over Egypte, en zijn gehele huis.

  4. Handelingen 7:11ca. 33 n.Chr.

    En er kwam een hongersnood over het gehele land van Egypte en Kanaan, en grote benauwdheid; en onze vaders vonden geen spijs.

  5. Handelingen 7:12ca. 33 n.Chr.

    Maar als Jakob hoorde, dat in Egypte koren was, zond hij onze vaders de eerste maal uit.

  6. Handelingen 7:13ca. 33 n.Chr.

    En in de tweede reize werd Jozef zijn broederen bekend; en het geslacht van Jozef werd aan Farao openbaar.

  7. Handelingen 7:14ca. 33 n.Chr.

    En Jozef zond heen, en ontbood zijn vader Jakob, en al zijn geslacht, bestaande in vijf en zeventig zielen.

  8. Handelingen 7:15ca. 33 n.Chr.

    En Jakob kwam af in Egypte, en stierf, hijzelf en onze vaders.

  9. Handelingen 7:16ca. 33 n.Chr.

    En zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf, hetwelk Abraham gekocht had voor een som gelds, van de zonen van Emmor, den vader van Sichem.

  10. Handelingen 7:17ca. 33 n.Chr.

    Maar als nu de tijd der belofte, die God aan Abraham gezworen had, genaakte, wies het volk en vermenigvuldigde in Egypte;

  11. Handelingen 7:18ca. 33 n.Chr.

    Totdat een ander koning opstond, die Jozef niet gekend had.

  12. Handelingen 7:19ca. 33 n.Chr.

    Deze gebruikte listigheid tegen ons geslacht, en handelde kwalijk met onze vaderen, zodat zij hun jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zij niet zouden voorttelen.

  13. Handelingen 7:20ca. 33 n.Chr.

    In welken tijd Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon; welke drie maanden opgevoed werd in het huis zijns vaders.

  14. Handelingen 7:21ca. 33 n.Chr.

    En als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op, en voedde hem voor zichzelve op tot een zoon.

  15. Handelingen 7:22ca. 33 n.Chr.

    En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren; en was machtig in woorden en in werken.

  16. Handelingen 7:23ca. 33 n.Chr.

    Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart, zijn broeders, de kinderen Israels, te bezoeken.

  17. Handelingen 7:24ca. 33 n.Chr.

    En ziende een, die onrecht leed, beschermde hij hem, en wreekte dengene, dien overlast geschiedde, en versloeg den Egyptenaar.

  18. Handelingen 7:25ca. 33 n.Chr.

    En hij meende, dat zijn broeders zouden verstaan, dat God door zijn hand hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan.

  19. Handelingen 7:26ca. 33 n.Chr.

    En den volgenden dag werd hij van hen gezien, daar zij vochten; en hij drong ze tot vrede, zeggende: Mannen, gij zijt broeders; waarom doet gij elkander ongelijk?

  20. Handelingen 7:27ca. 33 n.Chr.

    En die zijn naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?

  21. Handelingen 7:28ca. 33 n.Chr.

    Wilt gij mij ook ombrengen, gelijkerwijs gij gisteren den Egyptenaar omgebracht hebt?

  22. Handelingen 7:29ca. 33 n.Chr.

    En Mozes vluchtte op dat woord en werd een vreemdeling in het land Madiam, waar hij twee zonen gewon.

  23. Handelingen 7:30ca. 33 n.Chr.

    En als veertig jaren vervuld waren, verscheen hem de Engel des Heeren, in de woestijn van den berg Sinai, in een vlammig vuur van het doornenbos.

  24. Handelingen 7:31ca. 33 n.Chr.

    Mozes nu, dat ziende, verwonderde zich over het gezicht; en als hij derwaarts ging, om dat te bezien, zo geschiedde een stem des Heeren tot hem,

  25. Handelingen 7:32ca. 33 n.Chr.

    Zeggende: Ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs. En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bezien.