Naar de inhoud

circa AD 30–62

The Early Church

Pentecost ignites a movement; Peter, Paul, and countless others carry the gospel from Jerusalem to the ends of the earth.

1,007 verzen · 1 boek behandeld

Verzen uit dit tijdvak

  1. Handelingen 27:19ca. 62 n.Chr.

    En den derden dag wierpen wij met onze eigen handen het scheepsgereedschap uit.

  2. Handelingen 27:20ca. 62 n.Chr.

    En als noch zon noch gesternten verschenen in vele dagen, en geen klein onweder ons drukte, zo werd ons voort alle hoop van behouden te worden benomen.

  3. Handelingen 27:21ca. 62 n.Chr.

    En als men langen tijd zonder eten geweest was, toen stond Paulus op in het midden van hen, en zeide: O mannen, men behoorde mij wel gehoor gegeven te hebben, en van Kreta niet afgevaren te zijn, en dezen hinder en deze schade verhoed te hebben;

  4. Handelingen 27:22ca. 62 n.Chr.

    Doch alsnu vermaan ik ulieden goedsmoeds te zijn; want er zal geen verlies geschieden van iemands leven onder u, maar alleen van het schip.

  5. Handelingen 27:23ca. 62 n.Chr.

    Want dezen zelfden nacht heeft bij mij gestaan een engel Gods, Wiens ik ben, Welken ook ik dien,

  6. Handelingen 27:24ca. 62 n.Chr.

    Zeggende: Vrees niet, Paulus, gij moet voor den keizer gesteld worden; en zie, God heeft u geschonken allen, die met u varen.

  7. Handelingen 27:25ca. 62 n.Chr.

    Daarom zijt goedsmoeds, mannen, want ik geloof Gode, dat het alzo zijn zal, gelijkerwijs het mij gezegd is.

  8. Handelingen 27:26ca. 62 n.Chr.

    Doch wij moeten op een zeker eiland vervallen.

  9. Handelingen 27:27ca. 62 n.Chr.

    Als nu de veertiende nacht gekomen was, alzo wij in de Adriatische zee herwaarts en derwaarts gedreven werden, omtrent het midden des nachts, vermoedden de scheepslieden, dat hun enig land naderde.

  10. Handelingen 27:28ca. 62 n.Chr.

    En het dieplood uitgeworpen hebbende, vonden zij twintig vademen; en een weinig voortgevaren zijnde, wierpen zij wederom het dieplood uit, en vonden vijftien vademen;

  11. Handelingen 27:29ca. 62 n.Chr.

    En vrezende, dat zij ergens op harde plaatsen vervallen mochten, wierpen zij vier ankers van het achterschip uit, en wensten, dat het dag werd.

  12. Handelingen 27:30ca. 62 n.Chr.

    Maar als de scheepslieden zochten uit het schip te vlieden, en de boot nederlieten in de zee, onder den schijn, alsof zij uit het voorschip de ankers zouden uitbrengen,

  13. Handelingen 27:31ca. 62 n.Chr.

    Zeide Paulus tot den hoofdman en tot de krijgsknechten: Indien dezen in het schip niet blijven, gij kunt niet behouden worden.

  14. Handelingen 27:32ca. 62 n.Chr.

    Toen hieuwen de krijgsknechten de touwen af van de boot, en lieten haar vallen.

  15. Handelingen 27:33ca. 62 n.Chr.

    En ondertussen dat het dag zou worden, vermaande Paulus hen allen, dat zij zouden spijze nemen, en zeide: Het is heden de veertiende dag, dat gij verwachtende blijft zonder eten, en niets hebt genomen.

  16. Handelingen 27:34ca. 62 n.Chr.

    Daarom vermaan ik u spijze te nemen, want dat dient tot uw behouding; want niemand van u zal een haar van het hoofd vallen.

  17. Handelingen 27:35ca. 62 n.Chr.

    En als hij dit gezegd had en brood genomen had, dankte hij God in aller tegenwoordigheid; en hetzelve gebroken hebbende, begon hij te eten.

  18. Handelingen 27:36ca. 62 n.Chr.

    En zij allen, goedsmoeds geworden zijnde, namen ook zelven spijze.

  19. Handelingen 27:37ca. 62 n.Chr.

    Wij waren nu in het schip in alles tweehonderd zes en zeventig zielen.

  20. Handelingen 27:38ca. 62 n.Chr.

    En als zij met spijze verzadigd waren, lichtten zij het schip, en wierpen het koren uit in de zee.

  21. Handelingen 27:39ca. 62 n.Chr.

    En toen het dag werd, kenden zij het land niet; maar zij merkten een zekeren inham, die een oever had, tegen denwelken zij geraden vonden, zo zij konden, het schip aan te zetten.

  22. Handelingen 27:40ca. 62 n.Chr.

    En als zij de ankers opgehaald hadden, gaven zij het schip aan de zee over, meteen de roerbanden losmakende; en het razeil naar den wind opgehaald hebbende, hielden zij het naar den oever toe.

  23. Handelingen 27:41ca. 62 n.Chr.

    Maar vervallende op een plaats, die de zee aan beide zijden had, zetten zij het schip daarop; en het voorschip, vastzittende, bleef onbewegelijk, maar het achterschip brak van het geweld der baren.

  24. Handelingen 27:42ca. 62 n.Chr.

    De raadslag nu der krijgslieden was, dat zij de gevangenen zouden doden, opdat niemand, ontzwommen zijnde, zoude ontvlieden.

  25. Handelingen 27:43ca. 62 n.Chr.

    Maar de hoofdman, willen Paulus behouden, belette hun dat voornemen, en beval, dat degenen, die zwemmen konden, zich eerst zouden afwerpen, en te land komen;