Naar de inhoud

circa AD 30–62

The Early Church

Pentecost ignites a movement; Peter, Paul, and countless others carry the gospel from Jerusalem to the ends of the earth.

1,007 verzen · 1 boek behandeld

Verzen uit dit tijdvak

  1. Handelingen 8:23ca. 34 n.Chr.

    Want ik zie, dat gij zijt in een gans bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid.

  2. Handelingen 8:24ca. 34 n.Chr.

    Doch Simon, antwoordende, zeide: Bidt gijlieden voor mij tot den Heere, opdat niets over mij kome van hetgeen gij gezegd hebt.

  3. Handelingen 8:25ca. 34 n.Chr.

    Zij dan nu, als zij het Woord des Heeren betuigd en gesproken hadden, keerden wederom naar Jeruzalem, en verkondigden het Evangelie in vele vlekken der Samaritanen.

  4. Handelingen 8:26ca. 34 n.Chr.

    En een engel des Heeren sprak tot Filippus, zeggende: Sta op, en ga heen tegen het zuiden, op den weg, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, welke woest is.

  5. Handelingen 8:27ca. 34 n.Chr.

    En hij stond op en ging heen; en ziet, een Moorman, een kamerling, en een machtig heer van Candace, de koningin der Moren, die over al haar schat was, welke was gekomen om aan te bidden te Jeruzalem;

  6. Handelingen 8:28ca. 34 n.Chr.

    En hij keerde wederom, en zat op zijn wagen, en las den profeet Jesaja.

  7. Handelingen 8:29ca. 34 n.Chr.

    En de Geest zeide tot Filippus: Ga toe, en voeg u bij dezen wagen.

  8. Handelingen 8:30ca. 34 n.Chr.

    En Filippus liep toe, en hoorde hem den profeet Jesaja lezen, en zeide: Verstaat gij ook, hetgeen gij leest?

  9. Handelingen 8:31ca. 34 n.Chr.

    En hij zeide: Hoe zou ik toch kunnen, zo mij niet iemand onderricht? En hij bad Filippus, dat hij zou opkomen, en bij hem zitten.

  10. Handelingen 8:32ca. 34 n.Chr.

    En de plaats der Schriftuur, die hij las, was deze: Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is voor dien, die het scheert, alzo doet Hij Zijn mond niet open.

  11. Handelingen 8:33ca. 34 n.Chr.

    In Zijn vernedering is Zijn oordeel weggenomen; en wie zal Zijn geslacht verhalen? Want Zijn leven wordt van de aarde weggenomen.

  12. Handelingen 8:34ca. 34 n.Chr.

    En de kamerling antwoordde Filippus en zeide: Ik bid u, van Wien zegt de profeet dit, van zichzelven, of van iemand anders?

  13. Handelingen 8:35ca. 34 n.Chr.

    En Filippus deed zijn mond open en beginnende van diezelfde Schrift, verkondigde hem Jezus.

  14. Handelingen 8:36ca. 34 n.Chr.

    En alzo zij over weg reisden, kwamen zij aan een zeker water; en de kamerling zeide: Ziedaar water; wat verhindert mij gedoopt te worden?

  15. Handelingen 8:37ca. 34 n.Chr.

    En Filippus zeide: Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd. En hij, antwoordende, zeide: Ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is.

  16. Handelingen 8:38ca. 34 n.Chr.

    En hij gebood den wagen stil te houden; en zij daalden beiden af in het water, zo Filippus als de kamerling, en hij doopte hem.

  17. Handelingen 8:39ca. 34 n.Chr.

    En toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest des Heeren Filippus weg, en de kamerling zag hem niet meer; want hij reisde zijn weg met blijdschap.

  18. Handelingen 8:40ca. 34 n.Chr.

    Maar Filippus werd gevonden, te Azote; en het land doorgaande, verkondigde hij het Evangelie in alle steden, totdat hij te Cesarea kwam.

  19. Handelingen 9:1ca. 35 n.Chr.

    En Saulus, blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren, ging tot de hogepriester,

  20. Handelingen 9:2ca. 35 n.Chr.

    En begeerde brieven van hem naar Damaskus, aan de synagogen, opdat, zo hij enigen, die van dien weg waren, vond, hij dezelve, beiden mannen en vrouwen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem.

  21. Handelingen 9:3ca. 35 n.Chr.

    En als hij reisde, is het geschied, dat hij nabij Damaskus kwam, en hem omscheen snellijk een licht van den hemel;

  22. Handelingen 9:4ca. 35 n.Chr.

    En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem zeide: Saul, Saul! wat vervolgt gij Mij?

  23. Handelingen 9:5ca. 35 n.Chr.

    En hij zeide: Wie zijt Gij, Heere? En de Heere zeide: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt. Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan.

  24. Handelingen 9:6ca. 35 n.Chr.

    En hij, bevende en verbaasd zijnde, zeide: Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de stad, en u zal aldaar gezegd worden, wat gij doen moet.

  25. Handelingen 9:7ca. 35 n.Chr.

    En de mannen, die met hem over weg reisden, stonden verbaasd, horende wel de stem, maar niemand ziende.