Naar de inhoud

God

11,427 verzen · 2 familieleden

Verzen die God noemen

Filter op boek
  1. Want grote dingen heeft aan mij gedaan Hij, Die machtig is, en heilig is Zijn Naam.

  2. En Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over degenen, die Hem vrezen.

  3. Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij ledig weggezonden.

  4. Hij heeft Israel, Zijn knecht, opgenomen, opdat Hij gedachtig ware der barmhartigheid.

  5. (Gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen, namelijk tot Abraham, en zijn zaad) in eeuwigheid.

  6. En terstond werd zijn mond geopend, en zijn tong losgemaakt; en hij sprak, God lovende.

  7. En allen, die het hoorden, namen het ter harte, zeggende: Wat zal toch dit kindeken wezen? En de hand des Heeren was met hem.

  8. Geloofd zij de Heere, de God Israels, want Hij heeft bezocht, en verlossing te weeg gebracht Zijn volke;

  9. Gelijk Hij gesproken heeft door den mond Zijner heilige profeten, die van het begin der wereld geweest zijn;

  10. Opdat Hij barmhartigheid deed aan onze vaderen, en gedachtig ware aan Zijn heilig verbond;

  11. Dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen zouden zonder vreze.

  12. En gij, kindeken, zult een profeet des Allerhoogsten genaamd worden; want gij zult voor het aangezicht des Heeren heengaan, om Zijn wegen te bereiden;

  13. Om Zijn volk kennis der zaligheid te geven, in vergeving hunner zonden.

  14. Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte;

  15. En ziet, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid des Heeren omscheen hen, en zij vreesden met grote vreze.

  16. En van stonde aan was er met den engel een menigte des hemelsen heirlegers, prijzende God en zeggende:

  17. Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.

  18. En het geschiedde, als de engelen van hen weggevaren waren naar de hemel, dat de herders tot elkander zeiden: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd.

  19. En de herders keerde wederom, verheerlijkende en prijzende God over alles, wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was.

  20. (Gelijk geschreven is in de wet des Heeren: Al wat mannelijk is, dat de moeder opent, zal den Heere heilig genaamd worden.)

  21. En opdat zij offerande gaven, naar hetgeen in de wet des Heeren gezegd is, een paar tortelduiven, of twee jonge duiven.

  22. En hem was een Goddelijke openbaring gedaan door den Heiligen Geest, dat hij den dood niet zien zoude, eer hij den Christus des Heeren zou zien.

  23. Zo nam hij Hetzelve in zijn armen, en loofde God, en zeide:

  24. Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien,

  25. Een Licht tot verlichting der heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israel.