Naar de inhoud

Bijbelverzen over Thanksgiving

93 verzen · 57 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Een psalm, een lied, op den sabbatdag.

  2. Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof; laat ons Hem juichen met psalmen.

  3. Gij rechtvaardigen! verblijdt u in den HEERE, en spreekt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid.

  4. Gaat in tot Zijn poorten met lof, in Zijn voorhoven met lofgezang; looft Hem, prijst Zijn Naam.

  5. Looft den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.

  6. Hallelujah! Looft den HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

  7. Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

  8. Ik zal U offeren, offerande van dankzegging, en den Naam des HEEREN aanroepen.

  9. Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid;

  10. Looft den God der goden; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

  11. Looft den Heere der heren; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

  12. Ik dank en ik loof U, o God mijner vaderen! omdat Gij mij wijsheid en kracht gegeven hebt, en mij nu bekend gemaakt hebt, wat wij van U verzocht hebben, want Gij hebt ons des konings zaak bekend gemaakt.

  13. Daarom tekende de koning Darius dat schrift en gebod.

  14. Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is des HEEREN.

  15. In diezelve tijd antwoordde Jezus en zeide: Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde! dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard.

  16. En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien, zeggende: Drinkt allen daaruit;

  17. Zo nam hij Hetzelve in zijn armen, en loofde God, en zeide:

  18. En deze, te dierzelfder ure daarbij komende, heeft insgelijks den Heere beleden, en sprak van Hem tot allen, die de verlossing in Jeruzalem verwachtten.

  19. De Farizeer, staande, bad dit bij zichzelven: O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de anderen mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook gelijk deze tollenaar.

  20. En Jezus nam de broden, en gedankt hebbende, deelde Hij ze den discipelen, en de discipelen dengenen, die nedergezeten waren; desgelijks ook van de visjes, zoveel zij wilden.

  21. Zij namen dan den steen weg, waar de gestorvene lag. En Jezus hief de ogen opwaarts, en zeide: Vader, Ik dank U, dat Gij Mij gehoord hebt.

  22. En als hij dit gezegd had en brood genomen had, dankte hij God in aller tegenwoordigheid; en hetzelve gebroken hebbende, begon hij te eten.

  23. En vandaar kwamen de broeders, van onze zaken gehoord hebbende, ons tegemoet tot Appiusmarkt, en de drie tabernen; welke Paulus ziende, dankte hij God en greep moed.

  24. Eerstelijk dank ik mijn God door Jezus Christus over u allen, dat uw geloof verkondigd wordt in de gehele wereld.

  25. Omdat zij, God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt; maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden;