Naar de inhoud

Bijbelverzen over Select Readings

802 verzen · 47 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. De zon en de maan stonden stil in haar woning; met het licht gingen Uw pijlen daarhenen, met glans Uw bliksemende spies.

  2. Met gramschap tradt Gij door het land, met toorn dorstet Gij de heidenen.

  3. Gij toogt uit tot verlossing Uws volks, tot verlossing met Uw Gezalfde; Gij doorwonddet het hoofd van het huis des goddelozen, ontblotende den grond tot den hals toe. Sela.

  4. En Jezus, de schare ziende, is geklommen op een berg, en als Hij nedergezeten was, kwamen Zijn discipelen tot Hem.

  5. En Zijn mond geopend hebbende, leerde Hij hen, zeggende:

  6. Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

  7. Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden.

  8. Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beerven.

  9. Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.

  10. Zalig zijn de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden.

  11. Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.

  12. Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.

  13. Zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheid wil; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

  14. Zalig zijt gij, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil.

  15. Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn.

  16. Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en van de mensen vertreden te worden.

  17. Gij zijt het licht der wereld; een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn.

  18. Noch steekt men een kaars aan, en zet die onder een koornmaat, maar op een kandelaar, en zij schijnt allen, die in het huis zijn;

  19. Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.

  20. Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt nochtans dezelve; gaat gij dezelve niet zeer veel te boven?

  21. Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen?

  22. En wat zijt gij bezorgd voor de kleding? Aanmerkt de lelien des velds, hoe zij wassen; zij arbeiden niet, en spinnen niet;

  23. En Ik zeg u, dat ook Salomo, in al zijn heerlijkheid, niet is bekleed geweest, gelijk een van deze.

  24. Indien nu God het gras des velds, dat heden is, en morgen in den oven geworpen wordt, alzo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, gij kleingelovigen?

  25. Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden?