Naar de inhoud

Bijbelverzen over Select Readings: The majesty of God

19 verzen · 47 aspecten

Verzen over The majesty of God

  1. En zal al Uw werken betrachten, en van Uw daden spreken.

  2. O God! Uw weg is in het heiligdom; wie is een groot God, gelijk God?

  3. Gij zijt die God, Die wonder doet; Gij hebt Uw sterkte bekend gemaakt onder de volken.

  4. Gij hebt Uw volk door Uw arm verlost; de kinderen van Jakob en van Jozef. Sela.

  5. De wateren zagen U, o God! de wateren zagen U, zij beefden; ook waren de afgronden beroerd.

  6. De dikke wolken goten water uit; de bovenste wolken gaven geluid; ook gingen Uw pijlen daarhenen.

  7. Het geluid Uws donders was in het ronde; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde.

  8. Uw weg was in de zee, en Uw pad in grote wateren, en Uw voetstappen werden niet bekend. [ (Psalms 77:21) Gij leiddet Uw volk, als een kudde door de hand van Mozes en Aaron. ]

  9. God kwam van Theman, en de Heilige van den berg Paran. Sela. Zijn heerlijkheid bedekte de hemelen, en het aardrijk was vol van Zijn lof.

  10. En er was een glans als des lichts, Hij had hoornen aan Zijn hand, en aldaar was Zijn sterkte verborgen.

  11. Voor Zijn aangezicht ging de pestilentie, en de vurige kool ging voor Zijn voeten henen.

  12. Hij stond, en mat het land, Hij zag toe, en maakte de heidenen los, en de gedurige bergen zijn verstrooid geworden; de heuvelen der eeuwigheid hebben zich gebogen; de gangen der eeuw zijn Zijne.

  13. Ik zag de tenten van Kusan onder de ijdelheid; de gordijnen des lands van Midian schudden.

  14. Was de HEERE ontstoken tegen de rivieren? Was Uw toorn tegen de rivieren, was Uw verbolgenheid tegen de zee, toen Gij op Uw paarden reedt? Uw wagens waren heil.

  15. De naakte grond werd ontbloot door Uw boog, om de eden, aan de stammen gedaan door het woord. Sela. Gij hebt de rivieren der aarde gekloofd.

  16. De bergen zagen U, en leden smart; de waterstroom ging door, de afgrond gaf zijn stem, hij hief zijn zijden op in de hoogte.

  17. De zon en de maan stonden stil in haar woning; met het licht gingen Uw pijlen daarhenen, met glans Uw bliksemende spies.

  18. Met gramschap tradt Gij door het land, met toorn dorstet Gij de heidenen.

  19. Gij toogt uit tot verlossing Uws volks, tot verlossing met Uw Gezalfde; Gij doorwonddet het hoofd van het huis des goddelozen, ontblotende den grond tot den hals toe. Sela.