Naar de inhoud

Bijbelverzen over Idolatry

447 verzen · 205 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Want zij hebben U niet gediend in hun koninkrijk, en in Uw menigvuldig goed, dat Gij hun gaaft, en in dat wijde en dat vette land, dat Gij voor hun aangezicht gegeven hadt; en zij hebben zich niet bekeerd van hun boze werken.

  2. Zie, wij zijn heden knechten; ja, het land, dat Gij onzen vaderen gegeven hebt, om de vrucht daarvan, en het goede daarvan te eten, zie, daarin zijn wij knechten.

  3. En het vermenigvuldigt zijn inkomste voor den koningen, die Gij over ons gesteld hebt, om onzer zonden wil; en zij heersen over onze lichamen en over onze beesten, naar hun welgevallen; alzo zijn wij in grote benauwdheid.

  4. En zij verwekten Hem tot toorn door hun hoogten, en verwekten Hem tot ijver door hun gesneden beelden.

  5. God hoorde het en werd verbolgen, en versmaadde Israel zeer.

  6. Dies verliet Hij den tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen.

  7. En Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid in de hand des wederpartijders.

  8. En Hij leverde Zijn volk over ten zwaarde, en werd verbolgen tegen Zijn erfenis.

  9. Het vuur verteerde hun jongelingen, en hun jonge dochters werden niet geprezen.

  10. Hun priesters vielen door het zwaard, en hun weduwen weenden niet.

  11. Zij hebben die volken niet verdelgd, die de HEERE hun gezegd had;

  12. Maar zij vermengden zich met de heidenen, en leerden derzelver werken.

  13. En zij dienden hun afgoden, en zij werden hun tot een strik.

  14. Daarenboven hebben zij hun zonen en hun dochteren den duivelen geofferd.

  15. En zij hebben onschuldig bloed vergoten, het bloed hunner zonen en hunner dochteren, die zij den afgoden van Kanaan hebben opgeofferd; zodat het land door deze bloedschulden is ontheiligd geworden.

  16. En zij ontreinigden zich door hun werken, en zij hebben gehoereerd door hun daden.

  17. Dies is de toorn des HEEREN ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft een gruwel gehad aan Zijn erfdeel.

  18. En Hij gaf hen in de hand der heidenen, en hun haters heersten over hen.

  19. En hun vijanden hebben hen verdrukt, en zij zijn vernederd geworden onder hun hand.

  20. Hunlieder afgoden zijn zilver en goud, het werk van des mensen handen;

  21. Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;

  22. Oren hebben zij, maar horen niet; zij hebben een neus, maar zij rieken niet;

  23. Hun handen hebben zij, maar tasten niet; hun voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hun keel.

  24. Dat die hen maken hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt.

  25. De afgoden der heidenen zijn zilver en goud, een werk van mensenhanden.