Naar de inhoud

Bijbelverzen over Depravity of Man

94 verzen · 1 aspect

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Wat dan? Zijn wij uitnemender? Ganselijk niet; want wij hebben te voren beschuldigd beiden Joden en Grieken, dat zij allen onder de zonde zijn;

  2. Gelijk geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet een;

  3. Er is niemand, die verstandig is, er is niemand, die God zoekt.

  4. Allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot een toe.

  5. Hun keel is een geopend graf; met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen.

  6. Welker mond vol is van vervloeking en bitterheid;

  7. Hun voeten zijn snel om bloed te vergieten;

  8. Vernieling en ellendigheid is in hun wegen;

  9. En den weg des vredes hebben zij niet gekend.

  10. Er is geen vreze Gods voor hun ogen.

  11. Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij.

  12. Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.

  13. Want tot de wet was de zonde in de wereld; maar de zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is.

  14. Maar de dood heeft geheerst van Adam tot Mozes toe, ook over degenen, die niet gezondigd hadden in de gelijkheid der overtreding van Adam, welke een voorbeeld is Desgenen, Die komen zou.

  15. Ik spreek op menselijke wijze, om der zwakheid uws vleses wil; want gelijk gij uw leden gesteld hebt, om dienstbaar te zijn der onreinigheid en der ongerechtigheid, tot ongerechtigheid, alzo stelt nu uw leden, om dienstbaar te zijn der gerechtigheid, tot heiligmaking.

  16. Want toen gij dienstknechten waart der zonde, zo waart gij vrij van de gerechtigheid.

  17. Is dan het goede mij de dood geworden? Dat zij verre. Maar de zonde is mij de dood geworden; opdat zij zou openbaar worden zonde te zijn; werkende mij door het goede den dood; opdat de zonde boven mate werd zondigende door het gebod.

  18. Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.

  19. Want hetgeen ik doe, dat ken ik niet; want hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe ik.

  20. Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet.

  21. Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.

  22. Indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zo doe ik nu hetzelve niet meer, maar de zonde, die in mij woont.

  23. Zo vind ik dan deze wet in mij: als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt.

  24. Want die naar het vlees zijn, bedenken, dat des vleses is; maar die naar den Geest zijn, bedenken, dat des Geestes is.

  25. Want het bedenken des vleses is de dood; maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede;