Naar de inhoud

Bijbelverzen over Afflicted Saints

122 verzen · 31 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Opdat niet mijn vijand zegge: Ik heb hem overmocht; mijn tegenpartijders zich verheugen, wanneer ik zou wankelen.

  2. Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid; mijn hart zal zich verheugen in Uw heil; ik zal den HEERE zingen, omdat Hij aan mij welgedaan heeft.

  3. Want Hij versteekt mij in Zijn hut, ten dage des kwaads; Hij verbergt mij in het verborgene Zijner tent; Hij verhoogt mij op een rotssteen.

  4. Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in Zijn tent offeranden des geklanks offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen den HEERE.

  5. Verberg Uw aangezicht niet voor mij, keer Uw knecht niet af in toorn; Gij zijt mijn Hulp geweest, begeef mij niet, en verlaat mij niet, o God mijns heils!

  6. Gimel. Maakt den HEERE met mij groot, en laat ons Zijn Naam samen verhogen.

  7. Koph. De HEERE is nabij de gebrokenen van harte, en Hij behoudt de verslagenen van geest.

  8. Resch. Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen; maar uit alle die redt hem de HEERE.

  9. Verlos mij van al mijn overtredingen; en stel mij niet tot een smaad des dwazen.

  10. De beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Allerhoogsten.

  11. De heidenen raasden, de koninkrijken bewogen zich; Hij verhief Zijn stem, de aarde versmolt.

  12. En roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.

  13. Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?

  14. Dewijl gij de kastijding haat, en Mijn woorden achter u henenwerpt.

  15. Zouden zij om hun ongerechtigheid vrijgaan? Stort de volken neder in toorn, o God!

  16. Gij hebt mijn omzwerven geteld; leg mijn tranen in uw fles; zijn zij niet in Uw register?

  17. Dan zullen mijn vijanden achterwaarts keren, ten dage als ik roepen zal; dit weet ik, dat God met mij is.

  18. Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.

  19. Zij hebben een net bereid voor mijn gangen, mijn ziel was nedergebukt; zij hebben een kuil voor mijn aangezicht gegraven; zij zijn er midden in gevallen. Sela.

  20. Ik zal met brandofferen in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen,

  21. Die mijn lippen hebben geuit, en mijn mond heeft uitgesproken, als mij bange was.

  22. Brandofferen van mergbeesten zal ik U offeren, met rookwerk van rammen; ik zal runderen met bokken bereiden. Sela.

  23. Gij, Die mij veel benauwdheden en kwaden hebt doen zien, zult mij weder levend maken, en zult mij weder ophalen uit de afgronden der aarde.

  24. Gij zult mijn grootheid vermeerderen, en mij rondom vertroosten.

  25. Ook zal ik U loven met het instrument der luit, Uw trouw, mijn God; ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige Israels!