Naar de inhoud

circa 1446–1406 BC

The Wilderness Years

Forty years of wandering in the desert test Israel's faith and prepare a new generation to enter the promised land.

2,247 verzen · 2 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. En zij verreisden van Rimmon-Perez, en legerden zich in Libna.

  2. En zij verreisden van Libna, en legerden zich in Rissa.

  3. En zij verreisden van Rissa, en legerden zich in Kehelatha.

  4. En zij verreisden van Kehelatha, en legerden zich in het gebergte van Safer.

  5. En zij verreisden van het gebergte Safer, en legerden zich in Harada.

  6. En zij verreisden van Harada, en legerden zich in Makheloth.

  7. En zij verreisden van Makheloth, en legerden zich in Tachath.

  8. En zij verreisden van Tachath, en legerden zich in Tharah.

  9. En zij verreisden van Tharah, en legerden zich in Mithka.

  10. En zij verreisden van Mithka, en legerden zich in Hasmona.

  11. En zij verreisden van Hasmona, en legerden zich in Moseroth.

  12. En zij verreisden van Moseroth, en legerden zich in Bene-Jaakan.

  13. En zij verreisden van Bene-Jaakan, en legerden zich in Hor-Gidgad.

  14. En zij verreisden van Hor-gidgad, en legerden zich in Jotbatha.

  15. En zij verreisden van Jotbatha, en legerden zich in Abrona.

  16. En zij verreisden van Abrona, en legerden zich in Ezeon-Geber.

  17. En zij verreisden van Ezeon-Geber, en legerden zich in de woestijn Zin, dat is Kades.

  18. En zij verreisden van Kades, en legerden zich aan den berg Hor, aan het einde des lands van Edom.

  19. Toen ging de priester Aaron op den berg Hor, naar den mond des HEEREN, en stierf aldaar, in het veertigste jaar na den uittocht van de kinderen Israels uit Egypteland, in de vijfde maand, op den eersten der maand.

  20. Aaron nu was honderd drie en twintig jaren oud, als hij stierf op den berg Hor.

  21. En de Kanaaniet, de koning van Harad, die in het zuiden woonde in het land Kanaan, hoorde, dat de kinderen Israels aankwamen.

  22. En zij verreisden van den berg Hor, en legerden zich in Zalmona.

  23. En zij verreisden van Zalmona, en legerden zich in Funon.

  24. En zij verreisden van Funon, en legerden zich in Oboth.

  25. En zij verreisden van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abarim, in de landpale van Moab.