- English
- King James KJV
- Complete Jewish CJB
- World English WEBM
- Berean Standard BSB
- American Standard ASV
- Geneva GNV
- Young's Literal YLT
- Douay-Rheims DRC
- International
- Shqip ALB
- العربية SVD
- বাংলা BN-IRV
- မြန်မာ Judson
- 简体文 CUV-S
- 繁體中文 CUV-T
- Čeština BKR
- Nederlands STVE
- Français LSG
- Deutsch SCH
- Ελληνικά Vamvas
- ગુજરાતી GU-IRV
- Hausa HCB
- עברית Hebrew
- हिन्दी HCV
- Magyar KAROLI
- Bahasa Indonesia INDO-TB
- Italiano Diodati
- 日本語 Kougo
- 한국어 Korean
- മലയാളം MAL
- मराठी MRCV
- Norsk DNB
- فارسی OPV
- Polski BG
- Português Almeida
- Română Cornilescu
- Русский Synodal
- Español RVG
- Kiswahili Neno
- Svenska SV1917
- Tagalog TAG-ADB
- தமிழ் TCV
- తెలుగు TSA
- ภาษาไทย THAI-KJV
- Українська Ohienko
- Tiếng Việt CADMAN
- Yorùbá YCB
circa 1010–970 BC
The Reign of David
David unites the tribes, conquers Jerusalem, and establishes Israel's golden age—even through deep personal failure.
Verzen uit dit tijdvak
- 1 Kronieken 26:13ca. 1015 v.Chr.
En zij wierpen de loten, zo de kleinen als de groten, naar hun vaderlijke huizen, tot elke poort.
- 1 Kronieken 26:14ca. 1015 v.Chr.
Het lot nu tegen het oosten viel op Salemja; maar voor zijn zoon Zecharja, die een verstandig raadsman was, wierp men de loten, en zijn lot is uitgekomen tegen het noorden;
- 1 Kronieken 26:15ca. 1015 v.Chr.
Obed-Edom tegen het zuiden; en voor zijn kinderen het huis der schatkameren.
- 1 Kronieken 26:16ca. 1015 v.Chr.
Suppim en Hosa tegen het westen, met de poort Schallechet, bij den opgaanden hogen weg, wacht tegenover wacht.
- 1 Kronieken 26:17ca. 1015 v.Chr.
Tegen het oosten waren zes Levieten; tegen het noorden des daags vier; tegen het zuiden des daags vier; maar bij de schatkameren twee en twee.
- 1 Kronieken 26:18ca. 1015 v.Chr.
Aan Parbar tegen het westen waren er vier bij den hogen weg, twee bij Parbar.
- 1 Kronieken 26:19ca. 1015 v.Chr.
Dit zijn de verdelingen der poortiers van de kinderen der Korahieten, en der kinderen van Merari.
- 1 Kronieken 26:20ca. 1015 v.Chr.
Ook was, van de Levieten, Ahia over de schatten van het huis Gods, en over de schatten der geheiligde dingen.
- 1 Kronieken 26:21ca. 1015 v.Chr.
Van de kinderen van Ladan, kinderen van den Gersonieten Ladan; van Ladan, den Gersoniet, waren hoofden der vaderen Jehieli.
- 1 Kronieken 26:22ca. 1015 v.Chr.
De kinderen van Jehieli waren Zetham en Joel, zijn broeder; dezen waren over de schatten van het huis des HEEREN.
- 1 Kronieken 26:23ca. 1015 v.Chr.
Voor de Amramieten, van de Jizharieten, van de Hebronieten, van de Uzzielieten,
- 1 Kronieken 26:24ca. 1015 v.Chr.
En Sebuel, de zoon van Gersom, den zoon van Mozes, was overste over de schatten.
- 1 Kronieken 26:25ca. 1015 v.Chr.
Maar zijn broeders van Eliezer waren dezen: Rehabja was zijn zoon, en Jesaja zijn zoon, en Joram zijn zoon, en Zichri zijn zoon, en Selomith zijn zoon.
- 1 Kronieken 26:26ca. 1015 v.Chr.
Deze Selomith en zijn broederen waren over al de schatten der heilige dingen, die de koning David geheiligd had, mitsgaders de hoofden der vaderen, de oversten over duizenden en honderden, en de oversten des heirs;
- 1 Kronieken 26:27ca. 1015 v.Chr.
Van de krijgen en van den buit hadden zij het geheiligd, om het huis des HEEREN te onderhouden.
- 1 Kronieken 26:28ca. 1015 v.Chr.
Ook alles, wat Samuel, de ziener, geheiligd had, en Saul, de zoon van Kis, en Abner, de zoon van Ner, en Joab, de zoon van Zeruja; al wat iemand geheiligd had, was onder de hand van Selomith en zijn broederen.
- 1 Kronieken 26:29ca. 1015 v.Chr.
Van de Jizharieten waren Chenanja en zijn zonen tot het buitenwerk in Israel, tot ambtlieden en tot rechters.
- 1 Kronieken 26:30ca. 1015 v.Chr.
Van de Hebronieten was Hasabja, en zijn broeders, kloeke mannen, duizend en zevenhonderd, over de ambten van Israel op deze zijde van de Jordaan tegen het westen, over al het werk des HEEREN, en tot den dienst des konings.
- 1 Kronieken 26:31ca. 1015 v.Chr.
Van de Hebronieten was Jeria het hoofd, van de Hebronieten zijner geslachten onder de vaderen; in het veertigste jaar des koninkrijks van David zijn er gezocht en onder hen gevonden kloeke helden in Jaezer in Gilead.
- 1 Kronieken 26:32ca. 1015 v.Chr.
En zijn broeders waren kloeke lieden, twee duizend en zevenhonderd hoofden der vaderen; en de koning David stelde hen over de Rubenieten, en Gadieten, en den halven stam der Manassieten, tot alle zaken Gods en de zaken des konings.
- 1 Kronieken 27:1ca. 1015 v.Chr.
Dit nu zijn de kinderen Israels naar hun getal, de hoofden der vaderen, en de oversten der duizenden en der honderden, met hun ambtlieden, den koning dienende in alle zaken der verdelingen, aangaande en afgaande van maand tot maand in al de maanden des jaars; elke verdeling was vier en twintig duizend.
- 1 Kronieken 27:2ca. 1015 v.Chr.
Over de eerste verdeling in de eerste maand was Jasobam, de zoon van Zabdiel; en in zijn verdeling waren er vier en twintig duizend.
- 1 Kronieken 27:3ca. 1015 v.Chr.
Hij was uit de kinderen van Perez, het hoofd van al de oversten der heiren in de eerste maand.
- 1 Kronieken 27:4ca. 1015 v.Chr.
En over de verdeling in de tweede maand was Dodai, de Ahohiet, en over zijn verdeling was Mikloth ook voorganger; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.
- 1 Kronieken 27:5ca. 1015 v.Chr.
De derde overste des heirs in de derde maand was Benaja, de zoon van Jojada, den opperambtman; die was het hoofd; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.