Naar de inhoud

circa 6 BC – AD 30

The Life of Jesus

The eternal Son of God enters history: born in Bethlehem, baptized in the Jordan, crucified at Golgotha, raised on the third day.

3,779 verzen · 4 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Lukas 13:2ca. 33 n.Chr.

    En Jezus antwoordde, en zeide tot hen: Meent gij, dat deze Galileers zondaars zijn geweest boven al de Galileers, omdat zij zulks geleden hebben?

  2. Lukas 13:3ca. 33 n.Chr.

    Ik zeg u: Neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen desgelijks vergaan.

  3. Lukas 13:4ca. 33 n.Chr.

    Of die achttien, op welke de toren in Siloam viel, en doodde ze; meent gij, dat deze schuldenaars zijn geweest, boven alle mensen, die in Jeruzalem wonen?

  4. Lukas 13:5ca. 33 n.Chr.

    Ik zeg u: Neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen insgelijks vergaan.

  5. Lukas 13:6ca. 33 n.Chr.

    En Hij zeide deze gelijkenis: Een zeker man had een vijgeboom, geplant in zijn wijngaard; en hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet.

  6. Lukas 13:7ca. 33 n.Chr.

    En hij zeide tot den wijngaardenier: Zie, ik kome nu drie jaren, zoekende vrucht op dezen vijgeboom, en vind ze niet; houw hem uit; waartoe beslaat hij ook onnuttelijk de aarde?

  7. Lukas 13:8ca. 33 n.Chr.

    En hij, antwoordende, zeide tot hem: Heer, laat hem ook nog dit jaar, totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben;

  8. Lukas 13:9ca. 33 n.Chr.

    En indien hij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan; maar indien niet, zo zult gij hem namaals uithouwen.

  9. Lukas 13:10ca. 33 n.Chr.

    En Hij leerde op den sabbat in een der synagogen.

  10. Lukas 13:11ca. 33 n.Chr.

    En ziet, er was een vrouw, die een geest der krankheid achttien jaren lang gehad had, en zij was samengebogen, en kon zich ganselijk niet oprichten.

  11. Lukas 13:12ca. 33 n.Chr.

    En Jezus, haar ziende, riep haar tot Zich, en zeide tot haar: Vrouw, gij zijt verlost van uw krankheid.

  12. Lukas 13:13ca. 33 n.Chr.

    En Hij legde de handen op haar; en zij werd terstond weder recht, en verheerlijkte God.

  13. Lukas 13:14ca. 33 n.Chr.

    En de overste der synagoge, kwalijk nemende, dat Jezus op den sabbat genezen had, antwoordde en zeide tot de schare: Er zijn zes dagen, in welke men moet werken; komt dan in dezelve, en laat u genezen, en niet op den dag des sabbats.

  14. Lukas 13:15ca. 33 n.Chr.

    De Heere dan antwoordde hem en zeide: Gij geveinsde, maakt niet een iegelijk van u op den sabbat zijn os of ezel van de kribbe los, en leidt hem heen om te doen drinken?

  15. Lukas 13:16ca. 33 n.Chr.

    En deze, die een dochter Abrahams is, welke de satan, ziet, nu achttien jaren gebonden had, moest die niet losgemaakt worden van dezen band, op den dag des sabbats?

  16. Lukas 13:17ca. 33 n.Chr.

    En als Hij dit zeide, werden zij allen beschaamd, die zich tegen Hem stelden; en al de schare verblijdde zich over al de heerlijke dingen, die van Hem geschiedden.

  17. Lukas 13:18ca. 33 n.Chr.

    En Hij zeide: Wien is het Koninkrijk Gods gelijk, en waarbij zal Ik hetzelve vergelijken?

  18. Lukas 13:19ca. 33 n.Chr.

    Het is gelijk aan een mostaardzaad, hetwelk een mens genomen en in zijn hof geworpen heeft; en het wies op, en werd tot een groten boom, en de vogelen des hemels nestelden in zijn takken.

  19. Lukas 13:20ca. 33 n.Chr.

    En Hij zeide wederom: Waarbij zal Ik het Koninkrijk Gods vergelijken?

  20. Lukas 13:21ca. 33 n.Chr.

    Het is gelijk aan een zuurdesem, welken een vrouw nam, en verborg in drie maten meels, totdat het geheel gezuurd was.

  21. Lukas 13:22ca. 33 n.Chr.

    En Hij reisde van de ene stad en vlek tot de andere, lerende, en richtende Zijn reis naar Jeruzalem.

  22. Lukas 13:23ca. 33 n.Chr.

    En er zeide een tot Hem: Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden? En Hij zeide tot hen:

  23. Lukas 13:24ca. 33 n.Chr.

    Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen;

  24. Lukas 13:25ca. 33 n.Chr.

    Namelijk nadat de Heer des huizes zal opgestaan zijn, en de deur zal gesloten hebben, en gij zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heere, Heere, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, van waar gij zijt.

  25. Lukas 13:26ca. 33 n.Chr.

    Alsdan zult gij beginnen te zeggen: Wij hebben in Uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en Gij hebt in onze straten geleerd.