Naar de inhoud

circa 6 BC – AD 30

The Life of Jesus

The eternal Son of God enters history: born in Bethlehem, baptized in the Jordan, crucified at Golgotha, raised on the third day.

3,779 verzen · 4 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Lukas 14:17ca. 33 n.Chr.

    En hij zond zijn dienstknecht uit ten ure des avondmaals, om den genoden te zeggen: Komt, want alle dingen zijn nu gereed.

  2. Lukas 14:18ca. 33 n.Chr.

    En zij begonnen allen zich eendrachtelijk te ontschuldigen. De eerste zeide tot hem: Ik heb een akker gekocht, en het is nodig, dat ik uitga, en hem bezie; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.

  3. Lukas 14:19ca. 33 n.Chr.

    En een ander zeide: Ik heb vijf juk ossen gekocht, en ik ga heen, om die te beproeven; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.

  4. Lukas 14:20ca. 33 n.Chr.

    En een ander zeide: Ik heb een vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen.

  5. Lukas 14:21ca. 33 n.Chr.

    En dezelve dienstknecht weder gekomen zijnde, boodschapte deze dingen zijn heer. Toen werd de heer des huizes toornig, en zeide tot zijn dienstknecht: Ga haastelijk uit in de straten en wijken der stad, en breng de armen, en verminkten, en kreupelen, en blinden hier in.

  6. Lukas 14:22ca. 33 n.Chr.

    En de dienstknecht zeide: Heer, het is geschied, gelijk gij bevolen hebt, en nog is er plaats.

  7. Lukas 14:23ca. 33 n.Chr.

    En de heer zeide tot den dienstknecht: Ga uit in de wegen en heggen; en dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol worde;

  8. Lukas 14:24ca. 33 n.Chr.

    Want ik zeg ulieden, dat niemand van die mannen, die genood waren, mijn avondmaal smaken zal.

  9. Lukas 14:25ca. 33 n.Chr.

    En vele scharen gingen met Hem; en Hij, Zich omkerende, zeide tot hen:

  10. Lukas 14:26ca. 33 n.Chr.

    Indien iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broeders, en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn.

  11. Lukas 14:27ca. 33 n.Chr.

    En wie zijn kruis niet draagt, en Mij navolgt, die kan Mijn discipel niet zijn.

  12. Lukas 14:28ca. 33 n.Chr.

    Want wie van u, willende een toren bouwen, zit niet eerst neder, en overrekent de kosten, of hij ook heeft, hetgeen tot volmaking nodig is?

  13. Lukas 14:29ca. 33 n.Chr.

    Opdat niet misschien, als hij het fondament gelegd heeft, en niet kan voleindigen, allen, die het zien, hem beginnen te bespotten.

  14. Lukas 14:30ca. 33 n.Chr.

    Zeggende: Deze mens heeft begonnen te bouwen, en heeft niet kunnen voleindigen.

  15. Lukas 14:31ca. 33 n.Chr.

    Of wat koning, gaande naar den krijg, om tegen een anderen koning te slaan, zit niet eerst neder, en beraadslaagt, of hij machtig is met tien duizend te ontmoeten dengene, die met twintig duizend tegen hem komt?

  16. Lukas 14:32ca. 33 n.Chr.

    Anderszins zendt hij gezanten uit, terwijl degene nog verre is, en begeert, hetgeen tot vrede dient.

  17. Lukas 14:33ca. 33 n.Chr.

    Alzo dan een iegelijk van u, die niet verlaat alles, wat hij heeft, die kan Mijn discipel niet zijn.

  18. Lukas 14:34ca. 33 n.Chr.

    Het zout is goed; maar indien het zout smakeloos geworden is, waarmede zal het smakelijk gemaakt worden?

  19. Lukas 14:35ca. 33 n.Chr.

    Het is noch tot het land, noch tot den mesthoop bekwaam; men werpt het weg. Wie oren heeft, om te horen, die hore.

  20. Lukas 15:1ca. 33 n.Chr.

    En al de tollenaars en de zondaars naderden tot Hem, om Hem te horen.

  21. Lukas 15:2ca. 33 n.Chr.

    En de Farizeen en de Schriftgeleerden murmureerden, zeggende: Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen.

  22. Lukas 15:3ca. 33 n.Chr.

    En Hij sprak tot hen deze gelijkenis, zeggende:

  23. Lukas 15:4ca. 33 n.Chr.

    Wat mens onder u, hebbende honderd schapen; en een van die verliezende, verlaat niet de negen en negentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelve vinde?

  24. Lukas 15:5ca. 33 n.Chr.

    En als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijn schouders, verblijd zijnde.

  25. Lukas 15:6ca. 33 n.Chr.

    En te huis komende, roept hij de vrienden en de geburen samen, zeggende tot hen: Weest blijde met mij; want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was.