Naar de inhoud

circa 930–586 BC

The Divided Kingdom

The kingdom splits into Israel and Judah; prophets warn of judgment as both nations slowly drift into idolatry and exile.

1,722 verzen · 3 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. 1 Koningen 17:10ca. 909 v.Chr.

    Toen maakte hij zich op, en ging naar Zarfath. Als hij nu aan de poort der stad kwam, ziet, zo was daar een weduwvrouw, hout lezende; en hij riep tot haar, en zeide: Haal mij toch een weinig waters in dit vat, dat ik drinke.

  2. 1 Koningen 17:11ca. 909 v.Chr.

    Toen zij nu heenging om te halen, zo riep hij tot haar, en zeide: Haal mij toch ook een bete broods in uw hand.

  3. 1 Koningen 17:12ca. 909 v.Chr.

    Maar zij zeide: Zo waarachtig als de HEERE, uw God, leeft, indien ik een koek heb, dan alleen een hand vol meels in de kruik, en een weinig olie in de fles! En zie ik heb een paar houten gelezen, en ik ga heen, en zal het voor mij en voor mijn zoon bereiden, dat wij het eten, en sterven.

  4. 1 Koningen 17:13ca. 909 v.Chr.

    En Elia zeide tot haar: Vrees niet, ga heen, doe naar uw woord; maar maak mij vooreerst een kleinen koek daarvan, en breng mij dien hier uit; doch voor u en uw zoon zult gij daarna wat maken.

  5. 1 Koningen 17:14ca. 909 v.Chr.

    Want zo zegt de HEERE, de God Israels: Het meel van de kruik zal niet verteerd worden, en de olie der fles zal niet ontbreken, tot op den dag, dat de HEERE regen op den aardbodem geven zal.

  6. 1 Koningen 17:15ca. 909 v.Chr.

    En zij ging heen, en deed naar het woord van Elia; zo at zij, en hij, en haar huis, vele dagen.

  7. 1 Koningen 17:16ca. 909 v.Chr.

    Het meel van de kruik werd niet verteerd, en de olie van de fles ontbrak niet, naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door den dienst van Elia.

  8. 1 Koningen 17:17ca. 908 v.Chr.

    En het geschiedde na deze dingen, dat de zoon dezer vrouw, der waardin van het huis, krank werd; en zijn krankheid werd zeer sterk, totdat geen adem in hem overgebleven was.

  9. 1 Koningen 17:18ca. 908 v.Chr.

    En zij zeide tot Elia: Wat heb ik met u te doen, gij man Gods? Zijt gij bij mij ingekomen, om mijn ongerechtigheid in gedachtenis te brengen, en om mijn zoon te doden?

  10. 1 Koningen 17:19ca. 908 v.Chr.

    En hij zeide tot haar: Geef mij uw zoon. En hij nam hem van haar schoot, en droeg hem boven in de opperzaal, waar hij zelf woonde, en hij legde hem neder op zijn bed.

  11. 1 Koningen 17:20ca. 908 v.Chr.

    En hij riep den HEERE aan, en zeide: HEERE, mijn God, hebt Gij dan ook deze weduwe, bij dewelke ik herberge, zo kwalijk gedaan, dat Gij haar zoon gedood hebt?

  12. 1 Koningen 17:21ca. 908 v.Chr.

    En hij mat zich driemaal uit over dat kind, en riep den HEERE aan, en zeide: HEERE, mijn God, laat toch de ziel van dit kind in hem wederkomen.

  13. 1 Koningen 17:22ca. 908 v.Chr.

    En de HEERE verhoorde de stem van Elia; en de ziel van het kind kwam weder in hem, dat het weder levend werd.

  14. 1 Koningen 17:23ca. 908 v.Chr.

    En Elia nam het kind, en bracht het af van de opperzaal in het huis, en gaf het aan zijn moeder; en Elia zeide: Zie, uw zoon leeft.

  15. 1 Koningen 17:24ca. 908 v.Chr.

    Toen zeide de vrouw tot Elia: Nu weet ik, dat gij een man Gods zijt, en dat het woord des HEEREN in uw mond waarheid is.

  16. 1 Koningen 18:1ca. 906 v.Chr.

    En het gebeurde na vele dagen, dat het woord des HEEREN geschiedde tot Elia, in het derde jaar, zeggende: Ga heen, vertoon u aan Achab; want Ik zal regen geven op den aardbodem.

  17. 1 Koningen 18:2ca. 906 v.Chr.

    En Elia ging heen, om zich aan Achab te vertonen. En de honger was sterk in Samaria.

  18. 1 Koningen 18:3ca. 906 v.Chr.

    En Achab had Obadja, den hofmeester, geroepen; en Obadja was den HEERE zeer vrezende.

  19. 1 Koningen 18:4ca. 906 v.Chr.

    Want het geschiedde, als Izebel de profeten des HEEREN uitroeide, dat Obadja honderd profeten nam, en verborg ze bij vijftig man in een spelonk, en onderhield hen met brood en water.

  20. 1 Koningen 18:5ca. 906 v.Chr.

    En Achab had gezegd tot Obadja: Trek door het land, tot alle waterfonteinen en tot alle rivieren; misschien zullen wij gras vinden, opdat wij de paarden en de muilezelen in het leven behouden, en niets uitroeien van de beesten.

  21. 1 Koningen 18:6ca. 906 v.Chr.

    En zij deelden het land onder zich, dat zij het doortogen; Achab ging bijzonder op een weg, en Obadja ging ook bijzonder op een weg.

  22. 1 Koningen 18:7ca. 906 v.Chr.

    Als nu Obadja op den weg was, ziet, zo was hem Elia tegemoet; en hem kennende, zo viel hij op zijn aangezicht, en zeide: Zijt gij mijn heer Elia?

  23. 1 Koningen 18:8ca. 906 v.Chr.

    Hij zeide: Ik ben het; ga heen, zeg uw heer: Zie, Elia is hier.

  24. 1 Koningen 18:9ca. 906 v.Chr.

    Maar hij zeide: Wat heb ik gezondigd, dat gij uw knecht geeft in de hand van Achab, dat hij mij dode?

  25. 1 Koningen 18:10ca. 906 v.Chr.

    Zo waarachtig als de HEERE, uw God, leeft, zo er een volk of koninkrijk is, waar mijn heer niet gezonden heeft, om u te zoeken; en als zij zeiden: Hij is hier niet; zo nam hij dat koninkrijk en dat volk een eed af; dat zij u niet hadden gevonden.