Naar de inhoud

circa 1446 BC

Moses & The Exodus

God raises up Moses to confront Pharaoh; the ten plagues culminate in Israel's dramatic deliverance from four centuries of bondage.

415 verzen · 1 boek behandeld

Verzen uit dit tijdvak

  1. Exodus 9:16ca. 1491 v.Chr.

    Maar waarlijk, daarom heb Ik u verwekt, opdat Ik Mijn kracht aan u betoonde, en opdat men Mijn Naam vertelle op de ganse aarde.

  2. Exodus 9:17ca. 1491 v.Chr.

    Verheft gij uzelven nog tegen Mijn volk, dat gij het niet wilt laten trekken?

  3. Exodus 9:18ca. 1491 v.Chr.

    Zie, Ik zal morgen omtrent dezen tijd een zeer zware hagel doen regenen, desgelijks in Egypte niet geweest is van dien dag af, dat het gegrond is, tot nu toe.

  4. Exodus 9:19ca. 1491 v.Chr.

    En nu, zend heen, vergader uw vee, en alles wat gij op het veld hebt; alle mens en gedierte, dat op het veld gevonden zal worden, en niet in huis verzameld zal zijn, als deze hagel op hen vallen zal, zo zullen zij sterven.

  5. Exodus 9:20ca. 1491 v.Chr.

    Wie onder Farao's knechten des HEEREN woord vreesde, die deed zijn knechten en zijn vee in de huizen vlieden;

  6. Exodus 9:21ca. 1491 v.Chr.

    Doch die zijn hart niet zette tot des HEEREN woord, die liet zijn knechten en zijn vee op het veld.

  7. Exodus 9:22ca. 1491 v.Chr.

    Toen zeide de HEERE tot Mozes: Strek uw hand uit naar den hemel, en er zal hagel zijn in het ganse Egypteland; over de mensen, en over het vee, en over al het kruid des velds in Egypteland.

  8. Exodus 9:23ca. 1491 v.Chr.

    Toen strekte Mozes zijn staf naar den hemel; en de HEERE gaf donder en hagel, en het vuur schoot naar de aarde; en de HEERE liet hagel regenen over Egypteland.

  9. Exodus 9:24ca. 1491 v.Chr.

    En er was hagel, en vuur in het midden des hagels vervangen; hij was zeer zwaar; desgelijks is in het ganse Egypteland nooit geweest, sedert het tot een volk geweest is.

  10. Exodus 9:25ca. 1491 v.Chr.

    En de hagel sloeg, in het ganse Egypteland, alles wat op het veld was, van de mensen af tot de beesten toe; ook sloeg de hagel al het kruid des velds, en verbrak al het geboomte des velds.

  11. Exodus 9:26ca. 1491 v.Chr.

    Alleen in het land Gosen, waar de kinderen Israels waren, daar was geen hagel.

  12. Exodus 9:27ca. 1491 v.Chr.

    Toen schikte Farao heen, en hij riep Mozes en Aaron, en zeide tot hen: Ik heb mij ditmaal verzondigd; de HEERE is rechtvaardig; ik daarentegen en mijn volk zijn goddelozen!

  13. Exodus 9:28ca. 1491 v.Chr.

    Bidt vuriglijk tot den HEERE (want het is genoeg), dat geen donder Gods noch hagel meer zij; dan zal ik ulieden trekken laten, en gij zult niet langer blijven.

  14. Exodus 9:29ca. 1491 v.Chr.

    Toen zeide Mozes tot hem: Wanneer ik ter stad uitgegaan zal zijn, zo zal ik mijn handen uitbreiden voor den HEERE; de donder zal ophouden, en de hagel zal niet meer zijn; opdat gij weet, dat de aarde des HEEREN is!

  15. Exodus 9:30ca. 1491 v.Chr.

    Nochtans u en uw knechten aangaande, weet ik, dat gijlieden voor het aangezicht van den HEERE God nog niet vrezen zult.

  16. Exodus 9:31ca. 1491 v.Chr.

    Het vlas nu, en de gerst werd geslagen; want de gerst was in de aar, en het vlas was in den halm.

  17. Exodus 9:32ca. 1491 v.Chr.

    Maar de tarwe en de spelt werden niet geslagen; want zij waren bedekt.

  18. Exodus 9:33ca. 1491 v.Chr.

    Zo ging Mozes van Farao ter stad uit, en breidde zijn handen tot den HEERE; de donder en de hagel hielden op, en de regen werd niet meer uitgegoten op de aarde.

  19. Exodus 9:34ca. 1491 v.Chr.

    Toen Farao zag, dat de regen en hagel, en de donder ophielden, zo verzondigde hij zich verder, en hij verzwaarde zijn hart, hij en zijn knechten.

  20. Exodus 9:35ca. 1491 v.Chr.

    Alzo werd Farao's hart verstokt, dat hij de kinderen Israels niet trekken liet, gelijk als de HEERE gesproken had door Mozes.

  21. Exodus 10:1ca. 1491 v.Chr.

    Daarna zeide de HEERE tot Mozes: Ga in tot Farao; want Ik heb zijn hart verzwaard, ook het hart zijner knechten, opdat Ik deze Mijn tekenen in het midden van hen zette;

  22. Exodus 10:2ca. 1491 v.Chr.

    En opdat gij voor de oren uwer kinderen en uwer kindskinderen moogt vertellen, wat Ik in Egypte uitgericht heb, en Mijn tekenen, die Ik onder hen gesteld heb; opdat gijlieden weet, dat Ik de HEERE ben.

  23. Exodus 10:3ca. 1491 v.Chr.

    Zo gingen Mozes en Aaron tot Farao, en zeiden tot hem: Zo zegt de HEERE, de God der Hebreen: Hoe lang weigert gij u voor Mijn aangezicht te verootmoedigen? Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen.

  24. Exodus 10:4ca. 1491 v.Chr.

    Want indien gij weigert Mijn volk te laten trekken, zie, zo zal Ik morgen sprinkhanen in uw landpale brengen.

  25. Exodus 10:5ca. 1491 v.Chr.

    En zij zullen het gezicht des lands bedekken, alzo dat men de aarde niet zal kunnen zien; en zij zullen afeten het overige van hetgeen ontkomen is, hetgeen ulieden overgebleven was van den hagel; zij zullen ook al het geboomte afeten, dat ulieden uit het veld voortkomt.