Naar de inhoud

circa AD 48–96

Letters to the Churches

Paul and other apostles write to strengthen, correct, and encourage the scattered churches across the Roman world.

2,767 verzen · 21 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Romeinen 14:1ca. 60 n.Chr.

    Dengene nu, die zwak is in het geloof, neemt aan, maar niet tot twistige samensprekingen.

  2. Romeinen 14:2ca. 60 n.Chr.

    De een gelooft wel, dat men alles eten mag, maar die zwak is, eet moeskruiden.

  3. Romeinen 14:3ca. 60 n.Chr.

    Die daar eet, verachte hem niet, die niet eet; en die niet eet, oordele hem niet, die daar eet; want God heeft hem aangenomen.

  4. Romeinen 14:4ca. 60 n.Chr.

    Wie zijt gij, die eens anderen huisknecht oordeelt? Hij staat, of hij valt zijn eigen heer; doch hij zal vastgesteld worden, want God is machtig hem vast te stellen.

  5. Romeinen 14:5ca. 60 n.Chr.

    De een acht wel den enen dag boven den anderen dag; maar de ander acht al de dagen gelijk. Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd.

  6. Romeinen 14:6ca. 60 n.Chr.

    Die den dag waarneemt, die neemt hem waar den Heere; en die den dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar den Heere. Die daar eet, die eet zulks den Heere, want hij dankt God; en die niet eet, die eet zulks den Heere niet, en hij dankt God.

  7. Romeinen 14:7ca. 60 n.Chr.

    Want niemand van ons leeft zichzelven, en niemand sterft zichzelven.

  8. Romeinen 14:8ca. 60 n.Chr.

    Want hetzij dat wij leven, wij leven den Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren.

  9. Romeinen 14:9ca. 60 n.Chr.

    Want daartoe is Christus ook gestorven, en opgestaan, en weder levend geworden, opdat Hij beiden over doden en levenden heersen zou.

  10. Romeinen 14:10ca. 60 n.Chr.

    Maar gij, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat veracht gij uw broeder? Want wij zullen allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden.

  11. Romeinen 14:11ca. 60 n.Chr.

    Want er is geschreven: Ik leef, zegt de Heere; voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God belijden.

  12. Romeinen 14:12ca. 60 n.Chr.

    Zo dan een iegelijk van ons zal voor zichzelven Gode rekenschap geven.

  13. Romeinen 14:13ca. 60 n.Chr.

    Laat ons dan elkander niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk, dat gij den broeder geen aanstoot of ergernis geeft.

  14. Romeinen 14:14ca. 60 n.Chr.

    Ik weet en ben verzekerd in den Heere Jezus, dat geen ding onrein is in zichzelven; dan die acht iets onrein te zijn, die is het onrein.

  15. Romeinen 14:15ca. 60 n.Chr.

    Maar indien uw broeder om der spijze wil bedroefd wordt, zo wandelt gij niet meer naar liefde. Verderf dien niet met uw spijze, voor welken Christus gestorven is.

  16. Romeinen 14:16ca. 60 n.Chr.

    Dat dan uw goed niet gelasterd worde.

  17. Romeinen 14:17ca. 60 n.Chr.

    Want het Koninkrijk Gods is niet spijs en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door den Heiligen Geest.

  18. Romeinen 14:18ca. 60 n.Chr.

    Want die Christus in deze dingen dient, is Gode welbehagelijk, en aangenaam den mensen.

  19. Romeinen 14:19ca. 60 n.Chr.

    Zo dan laat ons najagen, hetgeen tot den vrede, en hetgeen tot de stichting onder elkander dient.

  20. Romeinen 14:20ca. 60 n.Chr.

    Verbreek het werk van God niet om der spijze wil. Alle dingen zijn wel rein; maar het is kwaad den mens, die met aanstoot eet.

  21. Romeinen 14:21ca. 60 n.Chr.

    Het is goed geen vlees te eten, noch wijn te drinken, noch iets, waaraan uw broeder zich stoot, of geergerd wordt, of waarin hij zwak is.

  22. Romeinen 14:22ca. 60 n.Chr.

    Hebt gij geloof? hebt dat bij uzelven voor God. Zalig is hij, die zichzelven niet oordeelt in hetgeen hij voor goed houdt.

  23. Romeinen 14:23ca. 60 n.Chr.

    Maar die twijfelt, indien hij eet, is veroordeeld, omdat hij niet uit het geloof eet. En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde.

  24. Romeinen 15:1ca. 60 n.Chr.

    Maar wij, die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden der onsterken te dragen, en niet onszelven te behagen.

  25. Romeinen 15:2ca. 60 n.Chr.

    Dat dan een iegelijk van ons zijn naaste behage ten goede, tot stichting.