- English
- King James KJV
- Complete Jewish CJB
- World English WEBM
- Berean Standard BSB
- American Standard ASV
- Geneva GNV
- Young's Literal YLT
- Douay-Rheims DRC
- International
- Shqip ALB
- العربية SVD
- বাংলা BN-IRV
- မြန်မာ Judson
- 简体文 CUV-S
- 繁體中文 CUV-T
- Čeština BKR
- Nederlands STVE
- Français LSG
- Deutsch SCH
- Ελληνικά Vamvas
- ગુજરાતી GU-IRV
- Hausa HCB
- עברית Hebrew
- हिन्दी HCV
- Magyar KAROLI
- Bahasa Indonesia INDO-TB
- Italiano Diodati
- 日本語 Kougo
- 한국어 Korean
- മലയാളം MAL
- मराठी MRCV
- Norsk DNB
- فارسی OPV
- Polski BG
- Português Almeida
- Română Cornilescu
- Русский Synodal
- Español RVG
- Kiswahili Neno
- Svenska SV1917
- Tagalog TAG-ADB
- தமிழ் TCV
- తెలుగు TSA
- ภาษาไทย THAI-KJV
- Українська Ohienko
- Tiếng Việt CADMAN
- Yorùbá YCB
Klaagliederen5
Listen to this chapter
0:00
0:00
Een smeekbede tot de HEERE
1
Gedenk, HEERE, wat ons geschied is, aanschouw het, en zie onzen smaad aan.
2
Ons erfdeel is tot de vreemdelingen gewend, onze huizen tot de uitlanders.
3
Wij zijn wezen zonder vader, onze moeders zijn als de weduwen.
Maatschappelijke en lichamelijke verwoesting
4
Ons water moeten wij voor geld drinken; ons hout komt ons op prijs te staan.
5
Wij lijden vervolging op onze halzen; zijn wij woede, men laat ons geen rust.
6
Wij hebben den Egyptenaar de hand gegeven, en den Assyrier, om met brood verzadigd te worden.
7
Onze vaders hebben gezondigd, en zijn niet meer, en wij dragen hun ongerechtigheden.
8
Knechten heersen over ons; er is niemand, die ons uit hun hand rukke.
9
Wij moeten ons brood met gevaar onzes levens halen, vanwege het zwaard der woestijn.
10
Onze huid is zwart geworden gelijk een oven, vanwege den geweldigen storm des hongers.
Vernedering en verlies van waardigheid
11
Zij hebben de vrouwen te Sion verkracht, en de jonge dochters in de steden van Juda.
12
De vorsten zijn door hunlieder hand opgehangen; de aangezichten der ouden zijn niet geeerd geweest.
13
Zij hebben de jongelingen weggenomen, om te malen, en de jongens struikelen onder het hout.
14
De ouden houden op van de poort, de jongelingen van hun snarenspel.
15
De vreugde onzes harten houdt op, onze rei is in treurigheid veranderd.
16
De kroon onzes hoofds is afgevallen; o wee nu onzer, dat wij zo gezondigd hebben!
17
Daarom is ons hart mat, om deze dingen zijn onze ogen duister geworden.
18
Om des bergs Sions wil, die verwoest is, waar de vossen op lopen.
Beroep op Gods eeuwige heerschappij
19
Gij, o HEERE, zit in eeuwigheid, Uw troon is van geslacht tot geslacht.
20
Waarom zoudt Gij ons steeds vergeten? Waarom zoudt Gij ons zo langen tijd verlaten?
21
HEERE, bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn; vernieuw onze dagen als van ouds.
22
Want zoudt Gij ons ganselijk verwerpen? Zoudt Gij zozeer tegen ons verbolgen zijn?
Use ← → arrow keys to navigate
Settings
Reading Style
Typeface
Font Size px
Reading Width chars
Options
Study Note