Naar de inhoud

Bijbelverzen over Prayer

720 verzen · 120 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. O God! neem mijn gebed ter oren, en verberg U niet voor mijn smeking.

  2. Ik zou haasten, dat ik ontkwame, van den drijvenden wind, van den storm.

  3. Wij, die te zamen in zoetigheid heimelijk raadpleegden; wij wandelden in gezelschap ten huize Gods.

  4. Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend ter helle nederdalen; want boosheden zijn in hun woning, in het binnenste van hen.

  5. Mij aangaande, ik zal tot God roepen, en de HEERE zal mij verlossen.

  6. Zij rotten samen, zij versteken zich, zij passen op mijn hielen; als die op mijn ziel wachten.

  7. Gij hebt mijn omzwerven geteld; leg mijn tranen in uw fles; zijn zij niet in Uw register?

  8. Wees mij genadig, o God! Wees mij genadig, want mijn ziel betrouwt op U, en ik neem mijn toevlucht onder de schaduw Uwer vleugelen, totdat de verdervingen zullen voorbij zijn gegaan.

  9. O God! verbreek hun tanden in hun mond; breek af de baktanden der jonge leeuwen, o HEERE!

  10. Zij lopen en bereiden zich zonder mijn misdaad; waak op mij tegemoet, en zie.

  11. De God mijner goedertierenheid zal mij voorkomen; God zal mij op mijn verspieders doen zien.

  12. Laat hen dan tegen de avond wederkeren, laat hen tieren als een hond, en rondom de stad gaan;

  13. Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.

  14. O God! hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed.

  15. In God is mijn Heil en mijn Eer; de Rotssteen mijner sterkte, mijn Toevlucht is in God.

  16. De lofzang is in stilheid tot U, o God! in Sion; en U zal de gelofte betaald worden.

  17. Welgelukzalig is hij, dien Gij verkiest, en doet naderen, dat hij wone in Uw voorhoven; wij zullen verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het heilige van Uw paleis.

  18. Ik riep tot Hem met mijn mond, en Hij werd verhoogd onder mijn tong.

  19. Maar zeker, God heeft gehoord; Hij heeft gemerkt op de stem mijns gebeds.

  20. Geloofd zij God, Die mijn gebed niet heeft afgewend, noch Zijn goedertierenheid van mij.

  21. Een psalm, een lied van David, voor den opperzangmeester.

  22. God zal opstaan, Zijn vijanden zullen verstrooid worden, en Zijn haters zullen van Zijn aangezicht vlieden.

  23. Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.

  24. O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen.

  25. Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken.