Skip to content

Bijbelverzen over Philosophy

90 verzen · 5 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Hij vermenigvuldigt de volken, en verderft ze; Hij breidt de volken uit, en leidt ze.

  2. Hij neemt het hart van de hoofden des volks der aarde weg, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.

  3. Zie, hierin zijt gij niet rechtvaardig, antwoord ik u; want God is meerder dan een mens.

  4. Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.

  5. Maar God spreekt eens of tweemaal; doch men let niet daarop.

  6. In den droom, door het gezicht des nachts, als een diepe slaap op de lieden valt, in de sluimering op het leger;

  7. Dan openbaart Hij het voor het oor der lieden, en Hij verzegelt hun kastijding;

  8. Opdat Hij den mens afwende van zijn werk, en van den man de hovaardij verberge;

  9. Dat Hij zijn ziel van het verderf afhoude; en zijn leven, dat het door het zwaard niet doorga.

  10. Ook wordt hij gestraft met smart op zijn leger, en de sterke menigte zijner beenderen;

  11. Zodat zijn leven het brood zelf verfoeit, en zijn ziel de begeerlijke spijze;

  12. Dat zijn vlees verdwijnt uit het gezicht, en zijn beenderen, die niet gezien werden, uitsteken;

  13. En zijn ziel nadert ten verderve, en zijn leven tot de dingen, die doden.

  14. Is er dan bij Hem een Gezant, een Uitlegger, een uit duizend, om den mens zijn rechten plicht te verkondigen;

  15. Zo zal Hij hem genadig zijn, en zeggen: Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden.

  16. Zijn vlees zal frisser worden dan het was in de jeugd; hij zal tot de dagen zijner jonkheid wederkeren.

  17. Hij zal tot God ernstiglijk bidden, Die in hem een welbehagen nemen zal, en zijn aangezicht met gejuich aanzien; want Hij zal den mens zijn gerechtigheid wedergeven.

  18. Hij zal de mensen aanschouwen, en zeggen: Ik heb gezondigd, en het recht verkeerd, hetwelk mij niet heeft gebaat;

  19. Maar God heeft mijn ziel verlost, dat zij niet voere in het verderf, zodat mijn leven het licht aanziet.

  20. Zie, dit alles werkt God tweemaal of driemaal met een man;

  21. Opdat hij zijn ziel afkere van het verderf, en hij verlicht worde met het licht der levenden.

  22. Het is Gods eer een zaak te verbergen; maar de eer der koningen een zaak te doorgronden.

  23. En sommigen van de Epikureische en Stoische wijsgeren streden met hem; en sommigen zeiden: Wat wil toch deze klapper zeggen? Maar anderen zeiden: Hij schijnt een verkondiger te zijn van vreemde goden; omdat hij hun Jezus en de opstanding verkondigde.

  24. Overmits hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard.

  25. Want Zijn onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn.