Skip to content

Bijbelverzen over Levites

186 verzen · 17 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. En ik gaf hun bevel aan Iddo, het hoofd in de plaats Chasifja; en ik legde de woorden in hun mond, om te zeggen tot Iddo, zijn broeder, en de Nethinim, in de plaats Chasifja, dat zij ons brachten dienaars voor het huis onzes Gods.

  2. En zij brachten ons, naar de goede hand onzes Gods over ons, een man van verstand, van de kinderen van Mahli, den zoon van Levi, den zoon van Israel; namelijk Serebja, met zijn zonen en broederen, achttien;

  3. En Hasabja, en met hem Jesaja, van de kinderen van Merari, met zijn broederen, en hun zonen, twintig;

  4. En van Nethinim, die David en de vorsten ten dienste der Levieten gegeven hadden, tweehonderd en twintig Nethinim, die allen bij namen genoemd werden.

  5. Als nu deze dingen voleind waren, traden de vorsten tot mij toe, zeggende: Het volk Israels, en de priesters, en de Levieten, zijn niet afgezonderd van de volken dezer landen, naar hun gruwelen, namelijk van de Kanaanieten, de Hethieten, de Ferezieten, de Jebusieten, de Ammonieten, de Moabieten, de Egyptenaren en Amorieten.

  6. Want zij hebben van hun dochteren genomen voor zichzelven en voor hun zonen, zodat zich vermengd hebben het heilig zaad met de volken dezer landen; ja, de hand der vorsten en overheden is de eerste geweest in deze overtreding.

  7. En van de Levieten: Jozabad, en Simei, en Kelaja (deze is Kelita), Pethahja, Juda en Eliezer.

  8. En van de zangers: Eljasib; en van de poortiers: Sallum, en Telem, en Uri.

  9. De Levieten: de kinderen van Jesua, van Kadmiel, van de kinderen van Hodeva, vier en zeventig;

  10. De zangers: de kinderen van Asaf, honderd acht en veertig;

  11. De poortiers: de kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai, honderd acht en dertig;

  12. De Nethinim: de kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;

  13. De kinderen van Keros, de kinderen van Sia, de kinderen van Padon;

  14. De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Salmai;

  15. De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar;

  16. De kinderen van Reaja, de kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda;

  17. De kinderen van Gazzam, de kinderen van Uzza, de kinderen van Paseah;

  18. De kinderen van Bezai, de kinderen van Meunim, de kinderen van Nefussim;

  19. De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;

  20. De kinderen van Bazlith, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;

  21. De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;

  22. De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa;

  23. De kinderen der knechten van Salomo; de kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Perida;

  24. De kinderen van Jaela, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel;

  25. De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochereth van Zebaim, de kinderen van Amon;