Naar de inhoud

circa AD 95

The Revelation

John's vision on Patmos unveils the cosmic victory of the Lamb over evil and the final restoration of all creation.

404 verzen · 1 boek behandeld

Verzen uit dit tijdvak

  1. Openbaring 20:10ca. 96 n.Chr.

    En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in den poel des vuurs en sulfers, alwaar het beest en de valse profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid.

  2. Openbaring 20:11ca. 96 n.Chr.

    En ik zag een groten witten troon, en Dengene, Die daarop zat, van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden, en geen plaats is voor die gevonden.

  3. Openbaring 20:12ca. 96 n.Chr.

    En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken.

  4. Openbaring 20:13ca. 96 n.Chr.

    En de zee gaf de doden, die in haar waren; en de dood en de hel gaven de doden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een iegelijk naar hun werken.

  5. Openbaring 20:14ca. 96 n.Chr.

    En de dood en de hel werden geworpen in den poel des vuurs; dit is de tweede dood.

  6. Openbaring 20:15ca. 96 n.Chr.

    En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in den poel des vuurs.

  7. Openbaring 21:1ca. 96 n.Chr.

    En ik zag een nieuwen hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer.

  8. Openbaring 21:2ca. 96 n.Chr.

    En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is.

  9. Openbaring 21:3ca. 96 n.Chr.

    En ik hoorde een grote stem uit den hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn.

  10. Openbaring 21:4ca. 96 n.Chr.

    En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.

  11. Openbaring 21:5ca. 96 n.Chr.

    En Die op den troon zat, zeide: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw.

  12. Openbaring 21:6ca. 96 n.Chr.

    En Hij sprak tot mij: Het is geschied. Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Ik zal den dorstige geven uit de fontein van het water des levens voor niet.

  13. Openbaring 21:7ca. 96 n.Chr.

    Die overwint, zal alles beerven; en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn.

  14. Openbaring 21:8ca. 96 n.Chr.

    Maar den vreesachtigen, en ongelovigen, en gruwelijken, en doodslagers, en hoereerders, en tovenaars, en afgodendienaars, en al den leugenaars, is hun deel in den poel, die daar brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood.

  15. Openbaring 21:9ca. 96 n.Chr.

    En tot mij kwam een van de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, welke vol geweest waren van de zeven laatste plagen, en sprak met mij, zeggende: Kom herwaarts, ik zal u tonen de Bruid, de Vrouw des Lams.

  16. Openbaring 21:10ca. 96 n.Chr.

    En hij voerde mij weg in den geest op een groten en hogen berg, en hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit den hemel van God.

  17. Openbaring 21:11ca. 96 n.Chr.

    En zij had de heerlijkheid Gods, en haar licht was den allerkostelijksten steen gelijk, namelijk als den steen Jaspis, blinkende gelijk kristal.

  18. Openbaring 21:12ca. 96 n.Chr.

    En zij had een groten en hogen muur, en had twaalf poorten, en in de poorten twaalf engelen, en namen daarop geschreven, welken zijn de namen der twaalf geslachten der kinderen Israels.

  19. Openbaring 21:13ca. 96 n.Chr.

    Van het oosten waren drie poorten, van het noorden drie poorten, van het zuiden drie poorten, van het westen drie poorten.

  20. Openbaring 21:14ca. 96 n.Chr.

    En de muur der stad had twaalf fondamenten, en in dezelve de namen der twaalf apostelen des Lams.

  21. Openbaring 21:15ca. 96 n.Chr.

    En hij die met mij sprak, had een gouden rietstok, opdat hij de stad zou meten, en haar poorten, en haar muur.

  22. Openbaring 21:16ca. 96 n.Chr.

    En de stad lag vierkant, en haar lengte was zo groot als haar breedte. En hij mat de stad met den rietstok op twaalf duizend stadien; de lengte, en de breedte, en de hoogte derzelve waren even gelijk.

  23. Openbaring 21:17ca. 96 n.Chr.

    En hij mat haar muur op honderd vier en veertig ellen, naar de maat eens mensen, welke des engels was.

  24. Openbaring 21:18ca. 96 n.Chr.

    En het gebouw van haar muur Jaspis; en de stad was zuiver goud, zijnde zuiver glas gelijk.

  25. Openbaring 21:19ca. 96 n.Chr.

    En de fondamenten van den muur der stad waren met allerlei kostelijk gesteente versierd. Het eerste fondament was Jaspis, het tweede Saffier, het derde Chalcedon, het vierde Smaragd.