Naar de inhoud

circa 6 BC – AD 30

The Life of Jesus

The eternal Son of God enters history: born in Bethlehem, baptized in the Jordan, crucified at Golgotha, raised on the third day.

3,779 verzen · 4 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Mattheüs 3:3ca. 26 n.Chr.

    Want deze is het, van denwelken gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht!

  2. Mattheüs 3:4ca. 26 n.Chr.

    En dezelve Johannes had zijn kleding van kemelshaar, en een lederen gordel om zijn lenden; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig.

  3. Mattheüs 3:5ca. 26 n.Chr.

    Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judea, en het gehele land rondom de Jordaan;

  4. Mattheüs 3:6ca. 26 n.Chr.

    En werden van hem gedoopt in de Jordaan, belijdende hun zonden.

  5. Mattheüs 3:7ca. 26 n.Chr.

    Hij dan, ziende velen van de Farizeen en Sadduceen tot zijn doop komen, sprak tot hen: Gij adderengebroedsels! wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn?

  6. Mattheüs 3:8ca. 26 n.Chr.

    Brengt dan vruchten voort, der bekering waardig.

  7. Mattheüs 3:9ca. 26 n.Chr.

    En meent niet bij uzelven te zeggen: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.

  8. Mattheüs 3:10ca. 26 n.Chr.

    En ook is alrede de bijl aan den wortel der bomen gelegd; alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.

  9. Mattheüs 3:11ca. 26 n.Chr.

    Ik doop u wel met water tot bekering; maar Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens schoenen ik niet waardig ben Hem na te dragen; Die zal u met den Heiligen Geest en met vuur dopen.

  10. Mattheüs 3:12ca. 26 n.Chr.

    Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en Zijn tarwe in Zijn schuur samenbrengen, en zal het kaf met onuitblusselijk vuur verbranden.

  11. Mattheüs 3:13ca. 26 n.Chr.

    Toen kwam Jezus van Galilea naar de Jordaan, tot Johannes, om van hem gedoopt te worden.

  12. Mattheüs 3:14ca. 26 n.Chr.

    Doch Johannes weigerde Hem zeer, zeggende: Mij is nodig van U gedoopt te worden, en komt Gij tot mij?

  13. Mattheüs 3:15ca. 26 n.Chr.

    Maar Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij van Hem af.

  14. Mattheüs 3:16ca. 26 n.Chr.

    En Jezus, gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water; en ziet, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag den Geest Gods nederdalen, gelijk een duive, en op Hem komen.

  15. Mattheüs 3:17ca. 26 n.Chr.

    En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!

  16. Mattheüs 4:1ca. 26 n.Chr.

    Toen werd Jezus van den Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel.

  17. Mattheüs 4:2ca. 26 n.Chr.

    En als Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, hongerde Hem ten laatste.

  18. Mattheüs 4:3ca. 26 n.Chr.

    En de verzoeker, tot Hem gekomen zijnde, zeide: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg, dat deze stenen broden worden.

  19. Mattheüs 4:4ca. 26 n.Chr.

    Doch Hij, antwoordende, zeide: Er is geschreven: De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat.

  20. Mattheüs 4:5ca. 26 n.Chr.

    Toen nam Hem de duivel mede naar de heilige stad, en stelde Hem op de tinne des tempels;

  21. Mattheüs 4:6ca. 26 n.Chr.

    En zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelven nederwaarts; want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, en dat zij U op de handen zullen nemen, opdat Gij niet te eniger tijd Uw voet aan een steen aanstoot.

  22. Mattheüs 4:7ca. 26 n.Chr.

    Jezus zeide tot hem: Er is wederom geschreven: Gij zult den Heere, uw God, niet verzoeken.

  23. Mattheüs 4:8ca. 26 n.Chr.

    Wederom nam Hem de duivel mede op een zeer hogen berg, en toonde Hem al de koninkrijken der wereld, en hun heerlijkheid;

  24. Mattheüs 4:9ca. 26 n.Chr.

    En zeide tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij, nedervallende, mij zult aanbidden.

  25. Mattheüs 4:10ca. 26 n.Chr.

    Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: Den Heere, uw God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen.