Naar de inhoud

circa 800–400 BC

The Hebrew Prophets

God speaks through Isaiah, Jeremiah, and the minor prophets—calling Israel to repentance and foretelling the coming Messiah.

3,706 verzen · 14 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Jesaja 25:12ca. 712 v.Chr.

    En Hij zal de hoge vesten uwer muren buigen, vernederen, ja, Hij zal ze ter aarde tot het stof toe doen reiken.

  2. Jesaja 26:1ca. 712 v.Chr.

    Te dien dage zal dit lied gezongen worden in het land van Juda; Wij hebben een sterke stad, God stelt heil tot muren en voorschansen.

  3. Jesaja 26:2ca. 712 v.Chr.

    Doet de poorten open, dat het rechtvaardige volk daarin ga, hetwelk de getrouwigheden bewaart.

  4. Jesaja 26:3ca. 712 v.Chr.

    Het is een bevestigd voornemen, Gij zult allerlei vrede bewaren, want men heeft op U vertrouwd.

  5. Jesaja 26:4ca. 712 v.Chr.

    Vertrouwt op den HEERE tot in der eeuwigheid; want in den Heere HEERE is een eeuwige rotssteen.

  6. Jesaja 26:5ca. 712 v.Chr.

    Want Hij buigt de hooggezetenen neder, de verheven stad; Hij vernedert ze, Hij vernedert ze tot de aarde toe, Hij doet ze tot aan het stof reiken.

  7. Jesaja 26:6ca. 712 v.Chr.

    De voet zal ze vertreden, de voeten des ellendigen, de treden der armen.

  8. Jesaja 26:7ca. 712 v.Chr.

    Het pad des rechtvaardigen is geheel effen, den gang des rechtvaardigen weegt Gij recht.

  9. Jesaja 26:8ca. 712 v.Chr.

    Wij hebben ook in den weg Uwer gerichten, U, o HEERE! verwacht; tot Uw Naam en tot Uw gedachtenis is de begeerte onzer ziel.

  10. Jesaja 26:9ca. 712 v.Chr.

    Met mijn ziel heb ik U begeerd in den nacht, ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken; want wanneer Uw gerichten op de aarde zijn, zo leren de inwoners der wereld gerechtigheid.

  11. Jesaja 26:10ca. 712 v.Chr.

    Wordt den goddeloze genade bewezen, hij leert evenwel geen gerechtigheid, hij drijft onrecht in een gans richtig land, en hij ziet de hoogheid des HEEREN niet aan.

  12. Jesaja 26:11ca. 712 v.Chr.

    HEERE! is Uw hand verhoogd, zij zien het niet; maar zij zullen het zien, en beschaamd worden, vanwege den ijver over Uw volk, ook zal het vuur Uw wederpartijders verteren.

  13. Jesaja 26:12ca. 712 v.Chr.

    HEERE! Gij zult ons vrede bestellen, want Gij hebt ons ook al onze zaken uitgericht.

  14. Jesaja 26:13ca. 712 v.Chr.

    HEERE, onze God! andere heren, behalve Gij, hebben over ons geheerst; doch door U alleen gedenken wij Uws Naams.

  15. Jesaja 26:14ca. 712 v.Chr.

    Dood zijnde zullen zij niet weder leven, overleden zijnde zullen zij niet opstaan; daarom hebt Gij hen bezocht, en hebt hen verdelgd, en Gij hebt al hun gedachtenis doen vergaan.

  16. Jesaja 26:15ca. 712 v.Chr.

    Gij, o HEERE! hadt dit volk vermeerderd, Gij hadt dit volk vermeerderd; Gij waart verheerlijkt geworden; maar Gij hebt hen in al de einden des aardrijks verre weggedaan.

  17. Jesaja 26:16ca. 712 v.Chr.

    HEERE! in benauwdheid hebben zij U bezocht; zij hebben hun stil gebed uitgestort, als Uw tuchtiging over hen was.

  18. Jesaja 26:17ca. 712 v.Chr.

    Gelijk een bevruchte vrouw, als zij nadert tot het baren, smarten heeft, en schreeuwt in haar weeen, alzo zijn wij geweest, o HEERE! vanwege Uw aangezicht.

  19. Jesaja 26:18ca. 712 v.Chr.

    Wij waren bevrucht, wij hadden de smarten, maar wij hebben niet dan wind gebaard; wij deden het land geen behoudenis aan, en de inwoners der wereld vielen niet neder.

  20. Jesaja 26:19ca. 712 v.Chr.

    Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waakt op en juicht, gij, die in het stof woont! want uw dauw zal zijn als een dauw der moeskruiden, en het land zal de overledenen uitwerpen.

  21. Jesaja 26:20ca. 712 v.Chr.

    Ga henen, mijn volk! ga in uw binnenste kamers, en sluit uw deuren na u toe; verberg u als een klein ogenblik, totdat de gramschap overga.

  22. Jesaja 26:21ca. 712 v.Chr.

    Want ziet, de HEERE zal uit Zijn plaats uitgaan, om de ongerechtigheid van de inwoners der aarde over hen te bezoeken; en de aarde zal haar bloed ontdekken, en zal haar doodgeslagenen niet langer bedekt houden.

  23. Jesaja 27:1ca. 712 v.Chr.

    Te dien dage zal de HEERE met Zijn hard, en groot, en sterk zwaard bezoeken den Leviathan, de langwemelende slang, ja, den Leviathan, de kromme slomme slang; en Hij zal den draak, die in de zee is, doden.

  24. Jesaja 27:2ca. 712 v.Chr.

    Te dien dage zal er een wijngaard van roden wijn zijn; zingt van denzelven bij beurte.

  25. Jesaja 27:3ca. 712 v.Chr.

    Ik, de HEERE, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.