Naar de inhoud

God

11,427 verzen · 2 familieleden

Verzen die God noemen

Filter op boek
  1. Uw hand zij over den man Uwer rechterhand, over des mensen zoon, dien Gij U gesterkt hebt.

  2. Zo zullen wij van U niet terugkeren; behoud ons in het leven, zo zullen wij Uw Naam aanroepen. [ (Psalms 80:20) O HEERE, God der heirscharen! breng ons weder; laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden. ]

  3. Voor den opperzangmeester, op de Gittith, een psalm van Asaf.

  4. Blaast de bazuin in de nieuwe maan, ter bestemder tijd, op onzen feestdag.

  5. Want dit is een inzetting in Israel, een recht van den God Jakobs.

  6. Hij heeft het gezet tot een getuigenis in Jozef, als Hij uitgetogen was tegen Egypteland; alwaar ik gehoord heb een spraak, die ik niet verstond;

  7. Ik heb zijn schouder van den last onttrokken; zijn handen zijn van de potten ontslagen.

  8. In de benauwdheid riept gij, en Ik hielp u uit; Ik antwoordde u uit de schuilplaats des donders; Ik beproefde u aan de wateren van Meriba. Sela.

  9. Er zal onder u geen uitlands god wezen, en gij zult u voor geen vreemden god nederbuigen.

  10. Ik ben de Heere, uw God, Die u heb opgevoerd uit het land van Egypte; doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.

  11. Maar Mijn volk heeft Mijn stem niet gehoord; en Israel heeft Mijner niet gewild.

  12. Dies heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten, dat zij wandelden in hun raadslagen.

  13. Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had, dat Israel in Mijn wegen gewandeld had!

  14. In kort zou Ik hun vijanden gedempt hebben, en Mijn hand gewend hebben tegen hun wederpartijders.

  15. Die den HEERE haten, zouden zich Hem geveinsdelijk onderworpen hebben, maar hunlieder tijd zou eeuwig geweest zijn. [ (Psalms 81:17) En Hij zou het gespijsd hebben met het vette der tarwe; ja, Ik zou u verzadigd hebben met honig uit de rotsstenen. ]

  16. Een psalm van Asaf. God staat in de vergadering Godes; Hij oordeelt in het midden der goden;

  17. Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden; en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten;

  18. Sta op, o God! oordeel het aardrijk, want Gij bezit alle natien.

  19. Een lied, een psalm van Asaf.

  20. O God! zwijg niet, houd U niet als doof, en zijt niet stil, o God!

  21. Want zie, Uw vijanden maken getier, en Uw haters steken het hoofd op.

  22. Zij hebben gezegd: Komt, en laat ons hen uitroeien, dat zij geen volk meer zijn; dat aan den naam Israels niet meer gedacht worde.

  23. Maak hen en hun prinsen als Oreb en als Zeeb, en al hun vorsten als Zebah en als Zalmuna;

  24. Die zeiden: Laat ons de schone woningen Gods voor ons in erfelijke bezitting nemen.

  25. Gelijk het vuur een woud verbrandt, en gelijk de vlam de bergen aansteekt;