Naar de inhoud

God

11,427 verzen · 2 familieleden

Verzen die God noemen

Filter op boek
  1. Vervolg hen alzo met Uw onweder, en verschrik hen met Uw draaiwind.

  2. Laat hen beschaamd en verschrikt wezen tot in eeuwigheid, en laat hen schaamrood worden, en omkomen; [ (Psalms 83:19) Opdat zij weten, dat Gij alleen met Uw Naam zijt de HEERE, de Allerhoogste over de ganse aarde. ]

  3. Voor den opperzangmeester, op de Gittith; een psalm, voor de kinderen van Korach.

  4. Hoe liefelijk zijn Uw woningen, o HEERE der heirscharen!

  5. Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven des HEEREN; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot den levenden God.

  6. Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren, HEERE der heirscharen, mijn Koning, en mijn God!

  7. Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen; zij prijzen U gestadiglijk. Sela.

  8. Als zij door het dal der moerbezienbomen doorgaan, stellen zij Hem tot een fontein; ook zal de regen hen gans rijkelijk overdekken.

  9. Zij gaan van kracht tot kracht; een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion.

  10. HEERE, God der heirscharen! hoor mijn gebed; neem het ter oren, o God van Jakob! Sela.

  11. O God, ons Schild! zie, en aanschouw het aangezicht Uws gezalfden.

  12. Want een dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders; ik koos liever aan den dorpel in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid.

  13. Want God, de HEERE, is een Zon en Schild; de HEERE zal genade en eer geven; Hij zal het goede niet onthouden dengenen, die in oprechtheid wandelen. [ (Psalms 84:13) HEERE der heirscharen! welgelukzalig is de mens, die op U vertrouwt. ]

  14. Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.

  15. Gij zijt Uw lande gunstig geweest, HEERE! de gevangenis van Jakob hebt Gij gewend.

  16. De misdaad Uws volks hebt Gij weggenomen; Gij hebt al hun zonden bedekt. Sela.

  17. Gij hebt weggenomen al Uw verbolgenheid; Gij hebt U gewend van de hittigheid Uws toorns.

  18. Breng ons weder, o God onzes heils! en doe te niet Uw toornigheid over ons.

  19. Zult Gij eeuwiglijk tegen ons toornen? Zult Gij Uw toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht?

  20. Zult Gij ons niet weder levend maken, opdat Uw volk zich in U verblijde?

  21. Toon ons Uw goedertierenheid, o HEERE, en geef ons Uw heil.

  22. Ik zal horen, wat God, de HEERE, spreken zal; want Hij zal tot Zijn volk en tot Zijn gunstgenoten van vrede spreken; maar dat zij niet weder tot dwaasheid keren.

  23. De waarheid zal uit de aarde spruiten, en gerechtigheid zal van den hemel nederzien.

  24. Ook zal de HEERE het goede geven; en ons land zal zijn vrucht geven. [ (Psalms 85:14) De gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht henengaan, en Hij zal ze zetten op den weg Zijner voetstappen. ]

  25. Een gebed van David. HEERE! neig Uw oor, verhoor mij; want ik ben ellendig en nooddruftig.